Het nieuwe nieuwe wielrennen

Het peloton beklimt een van de cols in de etappe van vandaag. Foto EPA/ Nicolas Bouvy

Rijden zonder van tevoren een spuit in je kont te hebben gehad, rijden zonder een litertje extra bloed. Dat was het oude nieuwe wielrennen. Het níeuwe nieuwe wielrennen is zo veel meer, het is bijna meta.

In het nieuwe nieuwe wielrennen moeten we een paar keer per etappe aanhoren hoe nieuw het wielrennen wel niet is. Wat zit de boel toch ontzettend dicht bij elkaar nu. Doping heet in het nieuwe nieuwe wielrennen ‘het d-woord’.

In het nieuwe nieuwe wielrennen kun je beter niet als topfavoriet aan een ronde starten en/of op de eerste de beste flinke berg het peloton aan flarden trappen. Of het normaal is dat Sky zo hard rijdt. En Froome, die was wel heel goed. Te goed eigenlijk.

De Brit had nog nauwelijks zijn linkerarm in een gele mouw gestoken en er ging al weer een documentje rond met opvallende bloedwaarden. In het nieuwe nieuwe wielrennen moet je best goed kunnen presteren, maar niet té opvallend. In het nieuwe nieuwe wielrennen is nummer vier zijn soms net zo leuk als nummer een.

In het nieuwe nieuwe wielrennen bevinden journalisten zich in een soort vagevuur: we willen wel enthousiast doen, maar het moet allemaal een beetje minder. Woorden als ‘ongelofelijk’, ‘superprestatie’ en – waag het – ‘held’ zijn verboden terrein. (Maar, kom op, wat een ongelofelijke etappe vandaag, hè?)

Begrijpelijk allemaal? Zeker. Vermoeiend? Bij vlagen. Maar in het nieuwe nieuwe wielrennen staan er ook twee Nederlanders in de topvier na de eerste bergen, krijgt een Robert Gesink opeens weer lof voor wat hij doet op de fiets en hebben we net een Tourweekend achter de rug dat al duizend keer beter te pruimen was dan de hele vorige Tour. Het nieuwe nieuwe wielrennen is een klein charmeoffensief en ik ben al weer om.