‘Wil je me helpen? Mijn ei is te hard.’

Arnon Grunberg doet dagelijks verslag vanuit een psychiatrisch ziekenhuis.

Vandaag: de diagnose.

Tegen de huisregels in ga ik op een avond wat drinken met de psycholoog van mijn afdeling; je behoort afstand te bewaren tot de therapeuten die je behandelen.

„Je bent natuurlijk ook besproken in ons team,” zegt de psycholoog. Hij is een licht ironische man met een baardje.

„Wat zegt het team over mij?” vraag ik. Iets te gretig graai ik in de nootjes.

„Ze vinden je angstig,” zegt de psycholoog. „De bewegingstherapeut zegt: ‘Je hebt voortdurend de neiging tegen hem te zeggen: het komt wel goed.’ Je doet stilzwijgend een beroep op de ander om zich over jou te ontfermen.”

Ik betwijfel of ik blij ben met deze informatie. Ik vind mezelf niet bang. Ja, vijfentwintig jaar geleden was ik bang, toen durfde ik amper een winkel in, maar ik heb de angst overwonnen.

Misschien is het projectie, misschien is het team bang voor mij.

„En wat is mijn diagnose?” informeer ik.

„De diagnose is de vijand van de patiënt,” zegt de psycholoog. „Therapeut en patiënt moeten samen aan de diagnose ontsnappen.”

De ochtend erop geeft Charlotte weer beeldende therapie. Vandaag maakt ze een ei van klei.

„Waarom?” vraag ik.

„Omdat ik dat nog nooit gemaakt heb,” antwoordt ze.

Yousef komt kijken wat we aan het doen zijn. „Soms speel ik voor therapeut,” zegt hij.

„Wil je me helpen?” vraagt Charlotte aan Yousef. „Mijn ei is te hard.”

Ik maak tekeningen met teksten. „Ik houd van controle,” schrijf ik. En: „Controleer mij.” Evenals: „Voortdurend dreigen wij de controle te verliezen.”

Charlotte bekijkt mijn werk. „Gaat het om controle van jezelf of van de ander?” vraagt ze.

„De ander,” zeg ik.

„Dat dacht ik al,” antwoordt ze.

Ze bladert door mijn tekeningen. „Als ik jou zo hoor,” zegt ze bedachtzaam, „ben je voortdurend bezig met overleven.”

„Maar ik ben er heel goed in,” antwoord ik. Eigenlijk wil ik eraan toevoegen: „Ik ben er beter in dan jij”, maar dat doe ik niet. Echt teder kan ik pas zijn als de ander is overwonnen.

De therapie is alweer voorbij. We lopen terug en ik fluit een liedje.

Al 42 jaar ben ik aan de diagnose ontsnapt, ik zal er ook in de toekomst aan ontsnappen.

(Wordt vervolgd)