Vrije val

T eam Belkin is nagenoeg onzichtbaar in de Tour. In de ploegentijdrit – ooit een Nederlandse specialiteit - eindigden de ex-Rabo’s als veertiende op 37 seconden van Orica Greenedge. Demonstratie van een totaal gebrek aan ambitie. Voorlopig is de doorstart van Team Rabobank mislukt. Zelfs het groepsgevoel is vervlogen.

Robert Gesink is het gezicht van de heersende malaise. Nadat hij tijdens een rit met een beklimming van tweede categorie ruim acht minuten had prijsgegeven op renners die met moeite een molshoop over kunnen zei hij triomfantelijk: „Als je niet voor het klassement rijdt maakt het niet uit.” Een dag later knorde hij dat verliezen hem geen enkele moeite kost.

Nog niet zo lang geleden was hij de uitgesproken kopman. Kenners zagen hem hoog eindigen in de Tour. Op het podium, wie weet. Als klimmer kon hij met de besten mee. Aan zelfvertrouwen ontbrak het ook niet. Hij zocht de pers niet, jongleerde niet met pikante quotes, bleef stug in de communicatie zoals kampioenen wel vaker zijn. Aan gelikte praatjes deed hij niet.

Achterhoeker, nietwaar?

Lachen deed hij ook weinig. Geen talent voor gezelligheid en reuring. Alsof hij nooit eens weg kwam uit de hengsels van zwaarmoedigheid. Zelfs in het spreken zat weinig jus: gregoriaans gemompel.

Fietsen als lijfstraf?

Het is al een tijdje dat ik denk: nog even en Robert Gesink is renner af. We zullen dan nooit nog iets van hem horen. Hij zal opgaan in het genadige landschap van de provincie en zich warmen aan zijn rijke moestuin. Een praatje aan de wasdraad, meer zit er voor de buitenwereld niet meer in.

Waar is het misgegaan?

Er zijn privéomstandigheden die als een donkere sluier over zijn gemoed zijn gevallen. Een sterfgeval. Er was veel blessureleed en de laatste tijd lijkt het of hij een abonnement heeft op valpartijen. Renners die vaak tegen het asfalt smakken, zijn of niet in conditie of ze zwalken in het hoofd. Vallen is niet alleen maar ongeluk.

Hij praat er niet graag over, maar de dood fietst met Robert mee. Misschien is er ook de aangeboren nuchterheid die hang naar opwinding in de weg staat. Het altijd aanwezige besef dat het leven stribbelen en sterven is, ook voor een gele truidrager.

De vreugde van twee armen in de lucht hooguit als pleister.

Toch moet de omslag van kopman tot knecht hem zwaar zijn gevallen. In bergetappes werd Robert Gesink ooit gevreesd door klassementsrijders als Alberto Contador, de gebroeders Schleck, Cadel Evans… En dan nu gedegradeerd tot waterdrager van Mollema: prestigeverlies in vrije val.

Deze week was Bert van Marwijk even in de Tour. De ex-bondscoach ging Robert Gesink opzoeken voor een vriendelijke babbel. Bert had te doen met de renner die in zijn ogen nog steeds een van de grootste wielertalenten van Nederland is. Zijn probleem, Bert? „Hij zit gevangen in de enorme media-aandacht die er voor hem is.”

Van Marwijk koestert genegenheid voor de gevallen held. Hij is altijd al kompaan van de hinkende mens. Maar dat Gesink ten onder is gegaan aan een overdosis media-aandacht is mij iets te naïef als uitleg. In tegenstelling tot renners als Johnny Hoogerland en Lars Boom heeft de klimmer zich nooit gemeld als visitekaartje van het circus. Hij bewaakt zijn privacy met militaire discipline.

Eerder asceet dan clown.

De Belkinrenner heeft nog een wielerleven voor zich. Aan de benen kan het niet liggen, maar de jacht op spoken in het hoofd is urgent.

Robert Gesink moet weer vrij van zichzelf worden.