Verwaarloosde zegen

Afgelopen week zag ik eindelijk weer eens een foto van Luud Schimmelpennink in de krant. Weet u wie hij is? Eigenlijk zou iedere inwoner van ons Fietsland, ongeacht herkomst, geloof en nationaliteit het moeten weten. Hij is de bedenker van het Witte Fietsenplan, ons nationaal vervoermiddel als collectief eigendom. Overal in de stad stallingen met witte gemeentefietsen waarop je gratis en ongestraft naar je plaats van bestemming zou kunnen rijden en hem dan in de volgende, dichtstbijzijnde stalling parkeren. Een geniaal idee dat de burgerij veel geld en de politie veel werk zou besparen. Nooit meer een nieuwe fiets kopen, nooit meer een fietsendief arresteren, opsluiten, berechten, enzovoort. Is er ooit een fiets van u gestolen? Het is een nationale pest. Heel vroeger werden die mensen zwijntjesjagers genoemd. Het plan van Schimmelpennink had alleen voordelen, maar tot een serieuze uitvoering is het niet gekomen. De fiets is een geniale uitvinding, maar uit de manier waarop de mens dit allerefficiëntste vervoermiddel behandelt, blijkt hoe dom hij kan zijn.

Nadat het Witte Fietsenplan mislukt was, kwam Schimmelpennink met zijn volgende idee: de Witkar. Dat is een soort autootje, meer een klein pagodetje op vier wielen dat elektrisch wordt voortgedreven. Voorzover ik me herinner was het de bedoeling dat je het voor een gering bedrag kon huren. Het stadsbestuur werkte mee. Hier en daar in de stad, onder andere op het Spui en de Elandsgracht, stonden rijtjes witkarren, klaar voor gebruik. De constructeur nodigde me uit voor een proefrit waarbij ik zelf mocht sturen. Ik nam een moeilijk parcours, door een paar stegen en daarna langs de Amstel tussen de Herengracht en het Frederiksplein, met hoge, steile bruggen en scherpe bochten. Die witkar had een uitstekende wegligging! Ik kon erover oordelen, want in die tijd reed ik in een Lotus Super Seven, waarschijnlijk de snelste auto van de stad. Toch is het ook met de witkar nooit iets geworden. En nu zag ik die foto van de uitvinder aan het stuur. Een miskend genie.

En of de duvel ermee speelde, ook afgelopen week zag ik een foto van een soort fietsenstalling, misschien bij het Centraal Station of op het Leidseplein, maar het kan ook ergens anders geweest zijn. Een vlakte van neergekwakte fietsen, een chaos van frames en wielen. Als ik zo’n eigentijdse stalling zie denk ik even dat twee legers van vervaarlijke insecten met elkaar slaags zijn geraakt. Deze fietsen hadden volgens het onderschrift geen eigenaar meer. De gemeente had maar één oplossing: opruimen. Waarom, dacht ik, worden ze niet wit geverfd, door de overheid een beetje onderhouden en de burgers gratis ter beschikking gesteld? Soms zie ik een zolderschuit met een soort hijskraan door de gracht varen. Daarmee worden de weggegooide fietsen opgevist. Het zijn er veel. Hoe dom kan een mens zijn, om zo’n vernuftig en nuttig apparaat in het water te smijten.

Dat is het raadsel van de fiets: in zijn eenvoud en duurzaamheid een van de allernuttigste technische mirakels en toch op den duur in veruit de meeste gevallen gedegradeerd en behandeld als oud roest. Ontbreekt er iets aan? Uit het raam van mijn werkkamer heb ik uitzicht op een druk fietsverkeer. Een paar jaar geleden beleefden we ook een winderige zomer met heel veel regen. Ik zag de fietsers met één hand aan het stuur en in de andere de opgestoken paraplus tegen de elementen worstelen. Toen heb ik de fietsparaplu uitgevonden, een paraplu die je eenvoudig in de holle voorstang van het frame kunt schuiven. Met een aangepast aerodynamisch scherm. Je houdt twee handen aan het stuur en je blijft droog. De fietsparaplu is nog niet in massaproductie genomen.

Omdat de fiets, ondanks alle achteloosheid, slordigheid, ja, minachting waarmee we hem behandelen, ons nationale middel van vervoer blijft, dacht ik dat er eens een monument voor moest worden opgericht. Bijvoorbeeld een toren van chaotisch opgestapelde fietsen, met een hoogte van een meter of tien. Opvallend, abstract van allure, indrukwekkend, en vooral tot nadenken stemmend. Ik schreef er een stukje over. Er bleken al een paar van die monumenten te bestaan. Heel goed, maar ze hebben het fietsvolk nog niet tot dieper nadenken gestemd.

Intussen gaat de techniek verder. De hybride fiets, soms met spierkracht aangedreven en dan weer elektrisch, hebben we al. Ook een uitvinding van Schimmelpennink, geloof ik. En nu is de elektrische fiets in aantocht, met een motortje dat ergens in het frame is opgeborgen. Op de radio wordt er reclame voor gemaakt. Zo’n opgewonden kakelstem laat je weten dat we weer iets nieuws, iets geweldigs op fietsgebied bereikt hebben. Als kind las ik een stripboekje over de avonturen van Piet Pelle op zijn Gazelle. Ik ben benieuwd wanneer de eerste elektrische fiets uit de gracht wordt opgevist.