Ons smachten naar integriteit

22 juni 2013 – De Vrije Universiteit gaf van oudsher ruimte voor pittige debatten, maar niet over de betekenis van het begrip ‘integriteit’. De VU leverde principiële politici en bestuurders die zich vanzelfsprekend inzetten voor de publieke zaak. Integriteit was toen nog vrij gewoon. Gisteren werd bekend dat Wouter Bos het medisch centrum van de

22 juni 2013 - De Vrije Universiteit gaf van oudsher ruimte voor pittige debatten, maar niet over de betekenis van het begrip ‘integriteit’. De VU leverde principiële politici en bestuurders die zich vanzelfsprekend inzetten voor de publieke zaak. Integriteit was toen nog vrij gewoon.

Gisteren werd bekend dat Wouter Bos het medisch centrum van de VU gaat leiden. De twee keer cum laude aan de Vrije Universiteit afgestudeerde oud-minister van Financiën moet niet alleen orde op zaken stellen bij afdelingen die niet samenwerken. Hij zal vooral het gevoel van veiligheid en integriteit moeten herstellen.

Gisteren schikten VUmc en tv-makers Eyeworks voor 50.000 euro met het Openbaar Ministerie. Het absurde reality tv-incident op de spoedeisende hulp was een bewijs in real time dat integriteit geen vanzelfsprekend en voor iedereen helder begrip meer is. Het medisch beroepsgeheim werd met loze praatjes aan de kant geschoven. De vertrekregeling van de bestuursvoorzitter zal bij menigeen een diepe zucht hebben veroorzaakt.

Ook het niet-medische deel van de VU verkeert in crisis. Betrekkingen tussen academische onderzoekers en leidinggevenden broeien. De regelmatig oplaaiende veenbrand heeft te maken met de ‘vermanagerisering’ van het onderwijsbestuur. Men is het niet meer eens over wat integer werk is en welke vormen van vrijheid en controle daarvoor nodig zijn.

Die in veel meer organisaties zichtbare verwarring en verwijdering  leidt tot wrijving, excessen en de roep om meer gedetailleerde normen en controle op de naleving. Een code! We smachten naar integriteit, naar beperking van morele risico’s – nooit meer een misbruikt kindje, nooit meer vermenging van belangen, afrastering van iedere verleiding. Begrijpelijk, maar niet te garanderen.

Vorige week, schrijvend over het vertrek van Eerste Kamer-voorzitter De Graaf beperkte ik de definitie van integriteit bewust tot zelfbevoordeling. Als tegenwicht tegen een tendens bij allerlei moderne sterren in het (semi-)openbare leven om het begrip integriteit ruim te  trekken als zij tegen de lamp zijn gelopen. Hun bekentenis lijkt dan heel devoot, maar doordat van alles en nog wat onder de noemer schuilgaat, komt hun gedrag niet scherp in beeld.

Bij de voormalige Senaatsvoorzitter was dat juist niet aan de orde, was mijn stelling. Uitgaand van zijn goede bedoelingen vroeg ik me af: hoe kan hij dan toch zijn terechtgekomen in een situatie waarin hij zelf meent dat zijn integriteit in het geding is. Zijn brief aan de PVV-fractievoorzitter van 12 juni gaf geen eenduidig antwoord; in het parlement rezen nieuwe vragen. Ik heb proberen na te gaan wat dan de meest waarschijnlijke verklaring was.

Het leek me voor de hand liggend dat hij degenen die mogelijk in aanmerking kwamen voor de commissie van in- en uitgeleide bij de inhuldiging zou (laten) polsen of zij beschikbaar waren. Om afwijzingen te voorkomen. Volgens de oud-voorzitter heb ik de gepolsten voor de oorspronkelijk beoogde grote en de later gekozen kleine commissie door elkaar gehaald. Wilders was niet ‘afbesteld’ – iets wat expliciet en impliciet kan gebeuren. Hoe het ook zij, het was niet voor alle betrokkenen duidelijk wie er wel en niet bij hoorden. Ik weet nog steeds niet precies hoe het is gelopen, maar de integriteit van De Graaf stond niet op het spel.

Terwijl de kwestie vorige week een voor de Senaatsvoorzitter ongelukkige wending nam was ik te gast bij een Integriteitscommissie onder leiding van Femke Halsema. Minister Kamp heeft de commissie gevraagd vóór 1 oktober een code op te stellen ‘voor behoorlijk bestuur in de semipublieke sector’. Vooral bedoeld  voor scholen, ziekenhuizen, woningbouwcorporaties en andere vormen van publieke dienstverlening op enige afstand van de overheid.

Mijn eerste neiging was te zeggen: geef uw opdracht terug, codes zijn onzin. Bestuurders zijn integer of zij zijn het niet. Zoals je niet een beetje zwanger kan zijn, kan je ook niet een tikje eerlijk zijn. In de wet en de daar uit voortvloeiende regels staat wat je in dit land wel en niet mag doen. Mocht de bestuurder beschikken over een moreel kompas dan hoeft hij die teksten misschien niet dagelijks in te kijken.

Maar daarmee is het probleem niet opgelost. Halsema was eerder voorzitter van een commissie die het bestuurlijk handelen onderzocht dat leidde tot vorming en ondergang van de reuzescholengroep met de fantasienaam Amarantis. Daar werd geen klip en klaar frauduleus handelen vastgesteld, maar het deugde ook niet. Bij Meavita, Vestia en andere hedendaagse schrikgodinnen was het ook niet pluis.

Met het optuigen van steeds meer toezichthouders (voor bankiers, advocaten, notarissen) en gedragscodes (commissarissen, bankiers, semipublieke bestuurders) gaat Nederland de Amerikaanse kant van juridisering uit. Goed voor de werkgelegenheid in de advies- en de toezichtindustrie. Of de nationale integriteit er ook door wordt vergroot is de vraag. Wie nu rommelt met mensen en middelen zal zich ook weinig storen  aan niet-afdwingbare codes.

De commissie-Femke hoopt in september van zich te laten horen. Het zal interessant zijn te zien of men morele en gedragsmatige rollators voor allerhande sectoren gaat aanreiken. Een appje met een checklist voor fatsoenlijke omgangsvormen. Of, sprak hij dromerig, wordt de gouden standaard van behoorlijk bestuur een regelarme bestuurspraktijk die uitgaat van vertrouwen? De meeste mensen zijn niet gek, zijn wel eerlijk en willen graag de handen uit de mouwen steken.