Hofcultuur nieuwe stijl in de kunsten

Cultureel ondernemen is het nieuwe ‘buzzword’. Voor de overheid reden om er zich er juist te veel mee te bemoeien, meent Melle Daamen.

Cultureel ondernemerschap is het nieuwe ‘buzzword’ in de cultuurwereld. En de organisatie waaraan ik leiding geef, de Amsterdamse Stadsschouwburg, geldt als een toonaangevend voorbeeld daarvan. We exploiteren een tweede zaal zonder extra subsidie, pionierden met flexibele prijzen, onze eigen inkomsten stegen de afgelopen vier jaar met 52 procent, ons bezoek ging van 115.000 naar 185.000, de subsidie per bezoek daalde van 41 naar 25 euro. Dat zijn mooie cijfers, zeker voor een zware’ artistieke programmering.

Vroeger – en dat is nog niet zo lang geleden – heette het dat ik een goede kunstmanager was. De kunstmanager was dienstbaar aan de kunsten en bleef nagenoeg onzichtbaar. Eind vorige eeuw begon de emancipatie van de kunstmanager en kwam het accent meer op het zakelijke te liggen. Tegenwoordig ben ik een ‘cultureel ondernemer’ en het daarmee verbonden prestige is onmiskenbaar gegroeid. Als kunstenaar tel je niet meer mee als je niet een studio hebt of je ondernemer noemt. Cultureel ondernemers als Joop van den Ende, Martijn Sanders en Wim Pijbes zijn de nieuwe culturele helden.

In het cultuurbeleid is cultureel ondernemerschap inmiddels ook diep verankerd. Onder staatssecretaris Rick van der Ploeg (Cultuur, PvdA) werd het oude begrip ‘verzakelijking’ vervangen door de nieuwe aanduiding ‘cultureel ondernemerschap’. Nu, tijdens Rutte II, wordt cultureel ondernemerschap voor het eerst echt centraal gesteld als één van de hoofddoelstellingen.

Ik koester enig wantrouwen jegens die hang naar cultureel ondernemerschap. Natuurlijk is het van groot belang dat kunstinstellingen ook op zakelijk gebied optimaal functioneren. Moeten wij serieus twijfelen of er in de kunstensector goed met (publiek) geld wordt omgegaan? Kennen wij een bankencrisis in de cultuur? Is er overmatig veel sprake van zakelijk wanbeheer, corruptie of verkwisting? Nee. De bedrijfsvoering bij de meeste kunstinstellingen is op orde. Het is daarmee totaal diffuus voor welk probleem cultureel ondernemen de oplossing is. Er wordt met meerdere maten gemeten. Een voorbeeld.

Een belangrijke maatstaf voor het succes van cultureel ondernemerschap is dat er meer eigen inkomsten worden behaald: uit sponsoring, box-office, donaties of mecenaat. Doe ik graag. En die mogelijkheid deed zich vorige zomer voor toen de BTW op de podiumkunsten na te zijn verhoogd weer werd verlaagd. Om meer eigen inkomsten voor de Stadsschouwburg te verkrijgen, ‘gebruikte’ ik de aangekondigde BTW-verlaging voor een nieuw prijsbeleid. Zo leidde de BTW-verlaging niet tot eenzelfde verlaging van de ticketprijs. Ik erkende dat ruiterlijk tegenover de pers. Het kwam mij op een reprimande in een hoofdredactioneel commentaar van NRC Handelsblad te staan. Toch wordt er moeiteloos in een ander artikel in dezelfde krant beweerd dat de toegangsprijzen voor Nederlandse podiumkunsten in vergelijking met het buitenland te laag zijn. Dat is meten met twee maten.

De vraag is wat cultureel ondernemerschap zo populair maakt. We leven in een tijdsgewricht waar de waardering voor de kunsten op zich het in de publieke opinie lijkt af te leggen tegen waardering voor ‘de zaakjes op orde hebben’. De kunstsector wordt meer en meer beschouwd als een zwakke sector die aan het ‘subsidie-infuus’ ligt. Die opvatting vond officiële erkenning met het boek Second Opinion uit 2007, waarin prominenten uit de cultuur concluderen dat het ‘gulle’ systeem van subsidies voor kunstenaars meer kwaad dan goed doet. Deze erkenning is een vrijbrief geworden voor een aantal politici en opiniemakers om kunstenaars neer te zetten als zwak en subsidieverslaafd.

De negatieve houding tegenover de kunsten en de nadruk op het zakelijke is ook te beschouwen als een ideologische verschuiving. Het kunstbeleid van na de oorlog werd in belangrijke mate ingegeven door de Verlichtingsidealen. Vrijheid van de kunstenaar staat daarbij centraal, de kunst is van zichzelf van belang en het stimuleren van kwaliteit staat voorop. Kunst werd bovendien beschouwd als een elitezaak en het kunstbeleid werd met gerust hart aan diezelfde elite overgelaten. In de pacificatiedemocratie, zoals wij die het grootste deel van de vorige eeuw kenden, bevonden minderheden, kunstenaars en wetenschappers zich in een politieke en bestuurlijke luwte. Het kunstbeleid van na de oorlog was apolitiek.

Dat apolitieke biedt natuurlijk ook ruimte aan een snelle wisseling van het politieke en ideologische paradigma. En dat deed zich het afgelopen decennium voor. De Verlichtingsidealen van de vrije kunsten maakten plaats voor een gemoderniseerde versie van een Renaissancedenken. Dat kenmerkte zich door opkomend ondernemerschap en opdrachtgeverschap, en een grote rol voor mecenaat en hofcultuur. Een renaissance van de Renaissance.

Natuurlijk kennen we in Nederland allang geen hofcultuur in traditionele zin meer. Maar met een beetje fantasie zou je het optreden van de Haagse rijksoverheid kunnen zien als de nieuwe versie van de ‘hofcultuur’. De rijksoverheid immers, bemoeit zich veel intensiever met de kunsten dan voorheen. De Thorbeckiaanse adagia van ‘Overheid op afstand’ en ‘De overheid is geen oordelaar over de kunsten’ zijn passé. Vroeger waren dit standaardzinnen in elke nota van politici en ambtenaren, maar langzaamaan verdwenen deze verwijzingen naar de achtergrond. Sinds de kabinetten Balkenende is het gedachtegoed van Thorbecke niet meer in officiële stukken terug te vinden.

Het zijn vooral PvdA-politici die in het bashen van Thorbecke de afgelopen jaren het voortouw namen. Maar het was de VVD’er Halbe Zijlstra die de toon zette. Geen ‘overheid op afstand’ maar regelzucht en actief ingrijpen. In het kader van het nieuwe Cultuurplan 2013-2016 heeft de overheid de kunsten min of meer opgedeeld in landsdelen en ‘functies’. Om voor subsidie in aanmerking te komen, moeten kunstinstellingen zich voor die functies of landsdelen inschrijven. Alle grotere landelijke kunstinstellingen hebben zich naar dit model te voegen. In het verlengde van dit ‘model-denken’ dwong het rijk het afgelopen jaar diverse fusies tussen culturele organisaties af. Bezuiniging waren de belangrijkste reden, cultureel ondernemerschap veelal het argument. Denk aan de gedwongen fusie van de orkesten en opera in het Zuiden (Brabants Orkest, Opera Zuid en LSO), waar oud- minister Winnie Sorgdrager door het rijk naar voren werd geschoven om deze fusie van de grond te krijgen. Of de afgedwongen fusie van Rijksacademie en Ateliers, alwaar topambtenaar Koos van de Steenhoven door de rijksoverheid werd aangesteld als ‘kwartiermaker’. Er zijn vergaande plannen in voorbereiding om de cultuurfondsen te centraliseren.

Maar de overheidsinterventie gaat verder. De creatieve industrie - een sector die het vrij aardig zonder subsidie redde - werd door de overheid als ‘topsector’ geclaimd en kreeg met ongevraagde overheidsinitiatieven te maken. De Designweek, de Architectuur Biënnale, de presentaties tijdens de Expo in China, de viering van 400 jaar handelsbetrekkingen met Turkije; het zijn allemaal door de overheid bedachte en geheel gesubsidieerde projecten, waar kunstenaars amper aan te pas komen en waarvan de internationale betekenis niet voldoende overschat kan worden. Maar met het stimuleren van eigen cultureel ondernemerschap heeft het niets te maken.

Het nieuwe cultuurbeleid kent een belangrijke mate van etatisme, een overheid met een sterke bemoeizucht en een groot vertrouwen in zichzelf en zijn eigen modellen. De kunsten zijn daarvan afhankelijk en hebben zich te voegen. Hofcultuur nieuwe stijl.

Behalve ondernemerschap en hofcultuur is ook het mecenaat een belangrijk kenmerk van de herleefde renaissance. Hoewel Nederland een vrijgevig land is voor goede doelen, komen kunst en cultuur er bekaaid af. We kennen in Nederland geen traditie van grote particuliere kunstopdrachten, collecties en particuliere kunstgebouwen, zoals zich dat in omringende landen wel voordoet. Ondanks deze slechte uitgangspositie is het opmerkelijk dat het mecenaat een inmiddels vast item in het nieuwe denken over cultuurbeleid is. De ijdele hoop is dat het mecenaat de rol van de overheid ten dele overneemt. De Kunst teruggeven aan de Samenleving, heet dat.

In het cultuurbeleid lijkt de rol van de mecenas niet langer aanvullend op de rol van de overheid te worden beschouwd, maar meer vervangend. De mecenas wordt Messias, de redder van de cultuur in deze barre tijden van economische tegenspoed. Het overheidsbeleid is niet langer gericht op het stimuleren van vrijheid voor kunstenaars en van kwaliteit, maar op het stimuleren van markt, ondernemerschap en mecenaat.

Met het aantreden van Rutte II is de negatieve en denigrerende houding van de overheid ten aanzien van de kunsten voorbij. Maar of dat ook geldt voor de Verlichtingsidealen, valt nog te bezien. In de vorige maand verschenen nota Cultuur Beweegt ontvouwt minister Bussemaker (OCW, PvdA) haar beleidsvisie in 3,5 pagina – opmerkelijk kort voor zo’n nota, maar passend in het no- nonsense klimaat. De intrinsieke waarde van kunst wordt in de nota weliswaar één keer gememoreerd, maar sterk geclausuleerd. Ook de nadruk op het stimuleren van kwaliteit wordt gerelativeerd. De minister neemt evenmin afstand van de overmatige regelzucht in het cultuurbestel. En Thorbecke? Die was bij sociaal-democratische bewindspersonen toch al nooit erg populair. De geest van de Renaissance is nog niet terug in de fles. Soms zou ik wel weer gewoon kunstmanager willen zijn.

Melle Daamen (1959) is directeur van de Stadsschouwburg Amsterdam en lid van de Raad voor Cultuur.