Hoe Juliana verdween We bidden elke dag dat ze nog leeft

Van de Rotterdamse Juliana (25) is al anderhalf jaar niets vernomen. De van huis uit katholieke vrouw bekeerde zich tot de islam, radicaliseerde, trouwde met een extremistische moslim en ging naar Libië. Haar ouders zijn wanhopig. De politie staat machteloos.

Verstijfd ligt ze op de grond van een Rotterdamse parkeergarage. „Ik zal je doden, jij ongelovige”, heeft een jongeman net tegen haar geschreeuwd. Daarna sloeg hij haar met de portier van zijn auto tegen de betonnen vloer. Liggend op de grond ziet de vrouw van middelbare leeftijd hoe de man, met baard en in orthodox islamitische kledij, de auto met Oostenrijks kenteken start. In de auto zit haar dochter: een intelligente vrouw van begin twintig, opgegroeid in een harmonieus katholiek gezin – haar tweede doopnaam is Juliana. „Ik ga met haar de jihad uitvoeren”, heeft de man gezegd, waarna hij Juliana de auto in duwde. Huilend blijft de kleine, tengere moeder achter. Ze ziet hoe de auto met hoge snelheid wegrijdt.

Het is woensdag 9 juni 2010, verkiezingsdag. Terwijl Nederland in de motregen naar de stembus gaat, heeft de vrouw rond lunchtijd een vreemd telefoontje gehad van haar dochter. Of ze naar Grand Hotel Central aan de Rotterdamse Kruiskade wil komen. Juliana wil haar iets vertellen.

Het recht tegenover het luxueuze Hilton gelegen hotel is klein en gemoedelijk. Aan de muur boven de receptie hangen zwart-wit posters van Jimi Hendrix en Jules Deelder. Door de donkere stenen vloer, de chesterfield fauteuils en de gekleurde ruitjes doet het aan als een bruine kroeg.

Staand in de bescheiden lobby ziet de vrouw haar kind nergens. Ze belt Juliana, maar krijgt een man aan de lijn. Hij vraagt haar wie ze is en wat ze komt doen. De moeder antwoordt dat ze haar dochter wil spreken. Dan zegt de man: „Zij is jouw dochter niet meer. Ze is mijn vrouw.”

Een paar minuten later ziet de vrouw hoe een lange man met een bruine baard, een kortgeschoren hoofd en een broek tot boven zijn enkels de trap van het hotel afkomt. Aan zijn arm loopt een door een zwarte niqaab volledig bedekte vrouw. De moeder herkent haar dochter. Ze schrikt. Dan loopt ze naar het stel toe en trekt de sluier van haar hoofd. De man duwt de vrouw weg. Hij beveelt Juliana, die hij Imaan noemt, de sluier voor haar gezicht te houden.

Juliana vertelt haar moeder dat ze net daarvoor in een moskee in Rotterdam zijn getrouwd door een imam en nu samen naar Oostenrijk vertrekken, het land waar haar man woont. De moeder roept tegen de receptioniste van het hotel dat ze de politie moet bellen. Omdat Juliana zegt vrijwillig mee te gaan met haar man, laten de toegesnelde agenten haar gaan. In totale paniek vraagt haar moeder het stel waar ze van denken te gaan leven in Oostenrijk. „Allah zal ons alles geven”, antwoordt de man. „En als ik een ongelovige zal doden, word ik beloond door Allah.”

In de parkeergarage doet Juliana’s moeder een laatste poging haar dochter uit handen van de man te houden. Dat mislukt als hij het portier hardhandig tegen haar aan slaat. Op het moment dat de auto is verdwenen, krabbelt de vrouw op. Totaal van slag rijdt ze naar huis.

Die dag wordt de VVD van Mark Rutte net voor de PvdA van Job Cohen de grootste partij van Nederland. Veel aandacht gaat echter uit naar de grote winnaar van de verkiezingen: Geert Wilders verovert 24 zetels met zijn PVV en is op slag een serieuze machtsfactor. Vijf dagen later krijgt de vrouw een sms van haar dochter. Ze is in Oostenrijk met haar nieuwe man.

Niet ver van Wenen ligt het dorp Bad Vöslau. Hier groeit Goran op.

Nu, drie jaar later, wachten de ouders van Juliana thuis in Rotterdam op een levensteken van hun dochter. Het laatste dat ze over haar hebben gehoord is dat ze eind 2011 naar Libië is vertrokken, waar de Libische leider Moammar Gaddafi dan net na decennia is afgezet en op 20 oktober 2011 is gedood. Nu is het al anderhalf jaar stil. Een groeiend gevoel van onmacht maakt zich van haar ouders meester, slapen gaat moeizaam en de verzachtende medicatie helpt amper meer. Juliana’s moeder: „Iedere dag bidden we dat ze nog leeft.”

Het verhaal van Juliana staat niet op zich. Jaarlijks bekeren zich volgens Forum, het instituut voor multiculturele vraagstukken, naar schatting 10 tot 30 Nederlanders tot de islam. Harde cijfers ontbreken. Wel ziet Forum sinds de aanslagen op 11 september 2001 een significante toename. Een klein deel van de bekeerlingen radicaliseert. Minister Ivo Opstelten (Veiligheid en Justitie, VVD) maakte deze week bekend dat momenteel tussen de vijftig en de honderd Nederlandse jihadreizigers actief zijn in het buitenland. Onder hen zijn volgens goed ingevoerde bronnen „enkele” bekeerlingen.

Grijze muis in Rotterdam

Onopvallend maar vriendelijk. Op klasgenoten op het Wolfert van Borselen College in Rotterdam maakt Juliana rond de eeuwwisseling weinig indruk. „Een typisch voorbeeld van stille wateren, diepe gronden”, zegt Tim Baart, die jarenlang bij haar in de klas zat. „Een grijze muis”, zegt Jasper Wehrmeijer. Samen volgden ze tweetalig onderwijs, een kleine groep binnen een grote school. „De enige blanke enclave ook”, zegt Wehrmeijer. „Op de rest van de school zaten bijna alleen maar allochtonen.”

Onder hen Usman Ishfaq. Hij raakt in 2004 bevriend met Juliana als ze teruggaat van het vwo naar de havo. Samen maken ze een werkstuk over de vijf grootste godsdiensten. Juliana is katholiek. Ze is gedoopt en heeft haar vormsel gedaan. Ishfaq is moslim. „Juliana was heel erg christelijk”, zegt Ishfaq. „Ze had tal van levensvragen. Later groeide haar interesse in de islam.” In de klas zit een aantal moslims, maar Juliana stelt haar vragen aan Ishfaq, die de zoon is van een imam. „Vragen als: waarom vasten jullie? Waarom bidden jullie vijf keer per dag?”

Met Ishfaq gaat Juliana voor het eerst naar de moskee. Ze willen iets kopiëren en Ishfaq doet dat vaker bij de Turkse Mevlana-moskee in Rotterdam. Toevallig wordt een groep autochtone ouderen net door het gebouw geleid. Juliana vraagt de Turkse gids of ze aan mag sluiten. Die heeft geen bezwaar.

Juliana vindt het nieuwe geloof mateloos interessant. In december 2005, Juliana is dan 17 jaar oud, vertelt ze Ishfaq dat ze zich wil bekeren. Ishfaq: „Ik heb haar toen gevraagd of ze het niet voor mij deed. En ik heb haar gezegd dat ze er eerst maar eens goed over na moest denken.”

Een paar dagen later zegt Juliana dat ze het nog steeds wil. Samen gaan ze nog dezelfde dag naar een Pakistaanse moskee in de stad. Ook de imam vraagt of Juliana zeker is van haar zaak. Als ze dat bevestigt, vertelt hij haar over de islam. Dan stelt hij haar zes vragen. Jaren later zet Juliana die voor haar ouders op een briefje. ‘Meisje staat voor de imam’, schrijft ze, waarna de zes vragen volgen:

1. Geloof jij in Allah?

2. Geloof jij in de Profeet?

2005: Goran (links) samen met zijn vriend Ali Bestami.

3. Geloof jij in de Koran?

‘Ik zei: er komt geen moslimin mijn auto’

4. Geloof jij in engelen?

5. Geloof jij in de dag des oordeels?

6. Geloof jij in het lot?

Ishfaq: „We hebben haar bekering niet gevierd. We spraken er ook niet over.” Ogenschijnlijk verandert er niets in Juliana’s leven. Ishfaq herinnert zich het galafeest na hun eindexamen. „Daar verscheen ze in een galajurk met spaghettibandjes. Alles was zoals het daarvoor ook was.”

Toch maken haar ouders zich zorgen. Hun dochter sluit zich steeds meer af van de buitenwereld om zich te concentreren op de islam. Op advies van haar ouders gaat ze na afronding van de havo in 2006 een jaar naar voormalig Joegoslavië, waar haar ouders vandaan komen en waar nog altijd veel familie woont. Ze studeert er toerisme aan een hogeschool. Haar ouders hopen dat Juliana er tot inkeer komt. Maar haar interesse in de islam groeit, de enige moskee in de stad bezoekt ze frequent.

Bij terugkomst wil ze verder in het toerisme. Ze gaat op deeltijdbasis aan de slag als receptioniste bij het Rotterdamse Hilton Hotel. „Juliana was heel precies en leergierig”, vertelt haar toenmalig leidinggevende Elina Dorsman. „Een prima werknemer.” Van enige affiniteit met de islam merkt bij het Hilton niemand iets. De hoofddoek die Juliana dan inmiddels met regelmaat draagt, gaat af voor ze het Hilton binnengaat. Het contact met Ishfaq verwatert.

In september 2008 begint Juliana aan de opleiding Wereldgodsdiensten aan de Universiteit Leiden. Die kennis wil ze combineren met haar succesvol afgeronde toerismeopleiding in voormalig Joegoslavië. „Ze wilde later pelgrimsreizen gaan organiseren”, vertelt haar moeder. De studentenpopulatie van de faculteit geesteswetenschappen is klein maar divers. „Ik herinner me Juliana nog levendig”, zegt een faculteitsmedewerker uit die tijd. Ze schetst het beeld van „een bijzonder intelligent meisje” dat helaas tijdelijk moest stoppen met studeren. „Het had met haar thuissituatie te maken, vertelde ze. Als dat was opgelost, zou ze terugkomen.” Dat haar fascinatie voor de islam de bron van huiselijke spanning is, vertelt Juliana niet.

Ze zal niet terugkeren naar Leiden. Buiten de universiteit en het zicht van haar familie om komt ze in contact met radicale versies van de islam. Zo bestudeert ze nauwgezet het boekje De Amerikaanse campagne ter onderdrukking van Islam, waarin onomwonden staat beschreven hoe Amerika de wereld manipuleert en de islam stelselmatig wordt bestreden. Het boekwerkje bevat tal van adviezen om zich aan die „slinkse” werkwijze te onttrekken: „Elke moslim is verplicht om democratie af te wijzen en iedereen die het propageert hierop aan te spreken.”

Juliana draagt inmiddels dagelijks een hoofddoek, bidt fanatiek en weigert thuis nog mee te eten, omdat het eten niet halal is. Het leidt tot steeds hoger oplopende familiaire spanning, hoewel ze nog altijd ontkent te zijn bekeerd. Haar ouders zijn overtuigde christenen en hebben weinig begrip voor het gedrag van hun dochter. Juliana leeft in twee werelden; het katholieke, westerse gezinsleven versus haar zoektocht naar de islam. Tegen haar ouders zegt ze „alleen geïnteresseerd te zijn in de islam”.

Amerikaanse ambassade

Na haar vertrek uit Leiden is ze op zoek naar een baan. Op 31 augustus 2009 begint ze als receptioniste bij uitgerekend de Amerikaanse ambassade in Den Haag. Uit tientallen sollicitanten wordt ze geselecteerd, tot verbazing van haarzelf en haar ouders. Na verschillende gesprekken en het raadplegen van door haar familie aangedragen referenties, waaronder het Hilton, wordt ze aangenomen. Haar ouders zijn opgelucht. Ze hopen dat deze baan haar zal weghouden bij de islam. Juliana kan het goed vinden met ambassadeur Fay Hartog Levin, vertelt ze haar moeder.

Toch blijft ze, via internet, contact zoeken met islamitische vrienden. Die sporen haar aan uiting te geven aan haar geloof en de radicale islam. Dat doet ze, ook vanaf haar werkplek. Ze is actief op internetfora. Onder het YouTubefilmpje ‘Winds of paradise’, waarin het martelaarschap en geweld tegen ongelovigen wordt verheerlijkt, schrijft ze in februari 2010: „Just beautiful.”

Die actie alarmeert een beveiligingsmedewerker van de ambassade. Hij licht acuut de Amerikaanse veiligheidsdiensten FBI en CIA in, evenals de Amerikaanse terreurcoördinator. Kort daarna moet Juliana vertrekken bij de ambassade. Er wordt geen enkele ruchtbaarheid aan gegeven. Niemand zou er ooit achter zijn gekomen, als klokkenluiderssite WikiLeaks eind 2010 niet tienduizenden diplomatieke ambtsberichten openbaar gemaakt zou hebben – waaronder die over Juliana’s gedwongen vertrek bij de ambassade.

Vanaf het moment van haar vertrek geeft Juliana zich uit als moslim. Tegen een familielid noemt ze haar geloof als de reden van haar ontslag. Voormalig ambassadeur Hartog Levin wil desgevraagd niet op de affaire reageren. „Geen commentaar.”

Na haar gedwongen vertrek wijdt Juliana zich volledig aan haar geloof. „Voor een plekje in de hemel”, zegt ze tegen haar moeder. Ze verlaat het ouderlijk huis en trekt in bij haar eveneens zeer gelovige vriendin Emina aan de Bonaventuralaan in Rotterdam. Die heeft via internet een man in Oostenrijk leren kennen. Via deze vriendin komt ook Juliana in contact met een bekeerde Oostenrijker. Het is de uit Servische ouders geboren Goran. Hij is een jaar jonger dan Juliana. Emina stimuleert Juliana zich te geven voor het geloof. „Als je een echte moslim bent, moet je trouwen en kinderen baren bij Goran”, houdt Emina haar vriendin voor. Juliana’s ouders weten op dat moment niet waar hun dochter mee bezig is. Ze zien haar steeds minder vaak.

Juliana’s afzondering trekt de aandacht van de Nederlandse inlichtingendienst- en veiligheidsdienst AIVD. Twee mannen van de dienst nemen tussen juni en september 2010 contact op met haar ouders. Juliana’s vader heeft een aantal ontmoetingen met medewerkers van de dienst, vertelt haar moeder. De geheime dienst wil alles weten over hun radicaliserende dochter. Zelf vertellen de AIVD’ers niets. Wel laten ze een telefoonnummer achter, voor als de ouders contact op willen nemen.

Trots gezin in Oostenrijk

Bad Vöslau, nabij Wenen, is als zoveel Oostenrijkse dorpen: een school, een kerk, een bakker, een paar kroegen, wat sportvelden en in juni het jaarlijkse dorpsfeest.

In het zielloze centrum, boven de apotheek, woont in de jaren negentig een orthodox christelijk gezin. Het zijn gastarbeiders die ruim voor het uitbreken van de oorlog in voormalig Joegoslavië hun geboortegrond in Servië hebben verlaten, op zoek naar werk. Vader Radoslav – kalend en een flinke snor – verdient de kost als installateur. Moeder Ljiljiana werkt in de ouderenzorg. Hun enige kind, zoon Goran, is de trots van het gezin. Als hij negen is, scheiden zijn ouders. Hij blijft bij zijn moeder en zijn oma wonen. „Goran had het moeilijk met onze scheiding”, vertelt zijn vader, gestoken in een geel T-shirt en een donkere trainingsbroek. „Hij begreep het niet.”

De moskee in het dorp Hirtenberg, die Goran als 17-jarige bezoekt.

Goran is een vrolijk maar serieus kind. Hij doorloopt moeiteloos de lagere en middelbare school in het dorp. „Een slimme en sociale jongen”, zegt zijn Turkse jeugdvriend Ali Bestami. Goran fitnesst en voetbalt af en toe met vrienden. In tegenstelling tot pubergenoten is hij niet op zoek naar grenzen en verleidingen. Meisjes hebben niet echt zijn interesse, zijn astma weerhoudt hem van roken en door zijn aan alcohol verslaafde oma heeft hij een afkeer van drank. Zijn vader: „Goran zag als kind hoe ze zittend in haar stoel moest overgeven van de drank.”

In de loop van 2006 raakt de dan 17-jarige Goran geïnteresseerd in de islam. Hij leest erover op internet. Later bezoekt hij een moskee in het belendende dorp Hirtenberg, soms vergezeld door zijn vriend en huidig rechtenstudent Bestami. „Moslims zijn nette mensen”, zegt Goran tegen hem. Hij bevraagt Bestami onophoudelijk over de betekenis van de Koran en de naleving ervan. „Ik zei: Goran, ik weet het ook niet allemaal.” Tot ergernis van Goran, die rond 2010 het contact met zijn vriend verbreekt: „Goran vond dat ik me onvoldoende verdiepte in het geloof.” Een poging hem af te remmen, leidde tot niets, zegt Bestami. „Hij wilde het niet horen als ik zei dat hij respectvol moest zijn naar andersgelovigen. Hij was niet meer te stoppen.”

Gorans christelijke ouders maken zich dan al tijden zorgen. Hun zoon, in 2003 begonnen aan de goed aangeschreven Technische Hogeschool in het nabijgelegen Mödling, laat een baardje staan en wil geen varkensvlees meer eten. Hij zou er een dik hoofd van krijgen, zegt hij tegen zijn vader. Gorans opstelling leidt tot achterdocht bij zijn gescheiden ouders. Die wordt versterkt als ze van docenten horen dat Goran problemen heeft met de afronding van zijn studie.

In de zomer van 2008 escaleert de situatie. Goran leent de BMW van zijn vader Radoslav, die op zijn beurt in de Opel Corsa van zijn zoon rijdt.

Daarin vindt Radoslav tot zijn schrik een cd met islamitische liederen. Hij vraagt zijn ex-vrouw wat er met hun zoon aan de hand is. Radoslav: „Ze zei: als je dat hoort, breekt je hart.”

‘Zij is jouw dochter niet meer. Ze is mijn vrouw’Goran, echtgenoot en jihadist

Radoslav, een hartstochtelijk christen, is in alle staten. Bij terugkomst houdt hij zijn zoon staande en vraagt of hij is bekeerd. „Ja, ik ben moslim”, zegt Goran. De herinnering emotioneert zijn vader nog altijd. Met stemverheffing en geheven armen: „Een verschrikkelijk moment. Ik kon hem wel wurgen. Ik zei: er komt geen moslim in mijn auto!” Daarop ontsteekt zijn zoon in woede. „Hij smeet mijn autosleutel weg en vertrok”, vertelt zijn vader.

Zijn moeder heeft ook steeds minder grip op haar zoon, maar zet alles in het werk contact te houden. Goran, die nog altijd bij haar woont, bidt vijf keer per dag op zijn kamer en verdiept zich in de Koran. Alle kruizen en de bijbel heeft hij weggestopt in een lade, tot groot verdriet van zijn ouders. De liberale moskee in Hirtenberg verruilt hij voor de omstreden Mesdzid Tewhid-moskee in Wenen, waar de radicale Bosnische imam Muhammed Fadil Porca de scepter zwaait.

Oostenrijkse inlichtingendiensten zien in Porca het brein achter een groep zeer radicale jongeren, vertelt een Oostenrijkse inlichtingenbron die jarenlang onderzoek deed naar het netwerk rond de imam.

Na de Joegoslavische burgeroorlog hergroeperen conservatieve moslims zich. Ze noemen zich de AIO, Active Islamic Youth, een salafistische beweging. Wenen is het hoofdkwartier van de AIO in Europa. Ook de Nederlandse diensten maken tot een aantal jaar terug melding in hun rapporten van het gevaar dat van deze groep uitgaat. In Bosnië, in onherbergzaam gebied in de enclave Srebrenica, onttrekt de AIO zich aan de westerse maatschappij. In het dorp Gornja Maoca leven ongeveer driehonderd radicale moslims volgens de wetten van de sharia. Het schoolsysteem is niet Bosnisch, maar Jordaans. Volgelingen van Porca komen er regelmatig. Ook Goran bezoekt het dorp, vertelt zijn moeder.

September 2010: Goran (rechts) en diverse ‘broeders’ eisen bij het ouderlijk huis Juliana op. De man op de rug gezien is haar vader.

Vanuit Bosnië houden de moslims contact met de diaspora. De groep wordt gefinancierd door Saoedi-Arabië. Porca, zo vertelt de Oostenrijkse inlichtingenbron, krijgt geld vanuit het Arabische land om moslims naar Mekka te sturen. Met hulp van Porca reist ook Goran in 2009 met een groep naar het islamitisch heiligdom Mekka. Dit verhaal is exemplarisch voor de werkwijze van de extremistische Bosnische leiders in Oostenrijk, vertelt de inlichtingenbron. „Ze sturen mensen de straat op die zoeken naar jongeren die psychisch labiel zijn. Die rekruteren ze en bieden ze geld, een huis en ze bemiddelen bij het krijgen van een vrouw.” Niet lang na zijn trip naar Bosnië vertrekt Goran, die zichzelf inmiddels Hamza noemt, naar de Egyptische hoofdstad Kairo om Arabisch te leren, samen met zijn vriend Thomas.

In tegenstelling tot haar ex-man duikt Gorans moeder in de leefwereld van haar zoon. Zo bezoekt ze de moskee in Wenen en praat met Porca over de verblijfplaats van haar zoon in Kairo. „Maar die wist van niks, zei hij.” In zijn moskee, in een onopvallend pand aan de Murlingengasse 61 in Wenen, wil Porca desgevraagd niet reageren. Omgeven door volgelingen loopt hij gehaast door. Twee bebaarde moslims in orthodoxe kledij verzoeken dreigend om het pand te verlaten. „No interviews. Are we clear?”

Drie maanden na zijn vertrek naar Kairo slaagt Gorans moeder erin met hem af te spreken in Egypte. Ze treffen elkaar in een armoedige buitenwijk van de stad. Goran heeft wel een voorwaarde voor de ontmoeting: zijn moeder moet gesluierd zijn. „Goran was helemaal blut en sterk vermagerd”, vertelt ze over hun weerzien. „Een vreselijk gezicht.” Ze weet Goran mee terug te nemen naar Oostenrijk. De radicalisering is echter niet meer te stuiten. Goran gaat in Wenen wonen. Zijn moeder voorziet in zijn levensonderhoud. Zelf verkoopt hij alles van waarde: zijn auto, laptop, gouden ringen en kettingen. Als zijn vader hem er naar vraagt, zegt hij dat het ingezamelde geld wordt geschonken aan Palestina. Zijn vader wantrouwt de uitleg en geeft geen geld meer. „Ik wilde niet bijdragen aan de financiering van een aanslag.”

Beide ouders doen naar eigen zeggen meerdere keren aangifte bij de politie in Bad Vöslau maar die laat hen weten niets voor ze te kunnen doen. Hun zoon is weliswaar geradicaliseerd, maar niet in overtreding. Ook een terrorisme-expert van de politie uit Sankt Pölten biedt geen soelaas. Tot ontzetting van vader Radoslav. „Al tijdens de dagen van het Ottomaanse Rijk kwamen moslims uit Istanbul onze kinderen halen. Die namen ze mee terug naar Istanbul om ze te laten vechten tegen hun eigen volk. Zo gaat het nu weer. De moslims nemen me mijn zoon af. Ik ben naar Oostenrijk gekomen om te werken. Ik probeer te integreren en tegelijkertijd komen er mensen naar dit land die mijn zoon komen rekruteren. En niemand die er iets aan doet!”

‘Gevangen’ in Rotterdam

Na het incident in de parkeergarage op de verkiezingsdag in juni 2010, zijn Juliana’s ouders hun dochter voorgoed kwijt. Maar in hun onophoudelijke zoektocht naar informatie horen ze bij toeval dat Juliana op vrijdag 17 september van dat jaar terug zal komen naar Rotterdam om haar paspoort te verlengen.

Die dag vertrekken de ouders vroeg naar het stadhuis aan de Coolsingel om hun dochter op te wachten. Na uren wachten verschijnt een Oostenrijkse auto. Juliana loopt, volledig bedekt en met gezichtssluier, aan de arm van Goran het stadhuis in. Na de identificatie van Juliana – vanwege haar geloof in een aparte kamer – loopt het stel het stadhuis uit. Het moment waarop de moeder haar dochter aanspreekt. „Juliana, wil je ons niet zien? Wil je niet met ons praten”, vraagt ze geëmotioneerd. „Ik wilde jullie nog bellen”, antwoordt Juliana. Ondanks hevige protesten van Goran stemt ze in en gaat ze mee met haar ouders.

Terug in het ouderlijk huis doet Juliana haar zwarte niqaab en handschoenen uit. Om de sfeer niet te bederven, bieden de ouders haar de mogelijkheid om rustig te kunnen bidden. Haar vader: „Liever bij ons gelovend in de islam dan volledig geradicaliseerd in het buitenland. Zo ver waren we al.” Goran blijft ook in Rotterdam, om te wachten op zijn vrouw. Hij krijgt volgens Juliana’s ouders onderdak in de Somalische moskee aan de Putselaan in Rotterdam.

Hij is niet gerust op een goede afloop. Hij stuurt Juliana een mail. „Ich liebe dich soooo viel! (…) Vlucht als het kan (…) Allah zal je vader vernietigen (…) Bij Gods wil zullen Abuu Aadam en andere broeders komen. We zullen naar de politie gaan want geen ongelovige mag je vasthouden tegen je wil (…) Blijf sterk, geef niet op. We zien elkaar snel (…) Als het niet in deze vervloekte wereld is dan in het hiernamaals (…) Gehoorzaam niet je ongelovige familie en bedek jezelf altijd (…) Bel me wanneer je gevlucht bent.”

Na twee dagen stapt Goran naar de politie. Juliana is volgens hem tegen haar zin meegenomen naar haar ouderlijk huis, waar ze wordt vastgehouden. Tegen de politie, die poolshoogte komt nemen, ontkent Juliana dat. Volgens een later opgesteld politierapport „tracht ze met haar verblijf meer begrip te kweken bij haar ouders voor haar huwelijk”. Dat lukt niet. De sfeer in huis is die dagen gespannen, vertelt haar moeder. Juliana volhardt in haar geloofsbelijdenis, van normaal gezinscontact is amper meer sprake. Mannelijke familieleden die op bezoek komen, wil ze niet zien. Dan vlucht ze haar kamer in.

Juliana is een ‘veiligheidsrisico’ en moet weg bij de ambassade

2009: Goran en zijn moeder op het vliegveld van Kairo, Egypte.

Op dinsdag 21 september klinkt in het ouderlijk huis de bel. Voor de deur staan twee orthodox islamitisch geklede mannen, onder wie Goran. Op straat staan twee ‘broeders’. In een auto verderop, zitten er nog twee. De man naast Goran, een Bosniër die volgens meerdere bezoekers nog steeds met regelmaat de Dar-al-Hijra moskee aan de Putselaan in Rotterdam bezoekt, voert het woord. Ze komen Juliana halen, is de boodschap. Goran kijkt al die tijd onverstoorbaar naar de grond en prevelt een gebed. Juliana’s vader blokkeert de deuropening terwijl zijn vrouw de politie belt. Er ontstaat een heftige woordenwisseling waarbij Juliana’s vader wordt bedreigd. Die reageert furieus en werkt „de jihadisten” zijn voortuin uit.

Juliana zit gedurende de schermutselingen binnen, met haar moeder. Ze zegt niet veel en maakt geen aanstalten om mee te gaan. De net gearriveerde politie vraagt de mannen te vertrekken nadat de vier die buiten staan zijn geïdentificeerd. Juliana’s vader: „Maar waarom werden deze types die mijn dochter opeisten niet gefouilleerd?” Hij zucht. „Achteraf denk ik: ik wou dat die jihadisten waren gaan schieten. Dan had de politie tenminste iets moeten doen.”

Twee dagen na het incident spreken medewerkers van de AIVD met Juliana op het politiebureau van het nabijgelegen Capelle aan den IJssel. Haar ouders wachten op haar. Na een uur is het gesprek met de inlichtingendienst voorbij. De hoop van de ouders om meer te weten te komen over Goran en zijn handlangers blijkt ijdel. De AIVD’ers zwijgen, tot ergernis van Juliana’s moeder. „Aan die mensen hebben we helemaal niets.” Ook Juliana wil weinig kwijt over het gesprek. „Ze zei dat het onder meer over haar tijd bij de Amerikaanse ambassade ging”, zegt haar moeder. Voor de AIVD heeft Juliana niet de hoogste prioriteit. Ze vormt geen directe bedreiging voor de staatsveiligheid, hun primaire zorg.

De situatie in Juliana’s ouderlijk huis komt op zaterdagochtend 25 september tot een climax. Goran meldt zich opnieuw bij de Rotterdamse politie. Juliana wordt volgens hem nog altijd onvrijwillig vastgehouden in haar ouderlijk huis. Een paspoort heeft ze nog altijd niet gekregen. In het ouderlijk huis vindt een twee uur durend gesprek plaats tussen Juliana en een agente van politiekorps Rotterdam-Rijnmond. Juliana stelt dat haar vader haar mobiele telefoon heeft afgenomen en haar heeft opgesloten in haar kamer. Volgens het politieverslag maakt ze „de indruk geestelijk in orde te zijn” en stelt ze duidelijk „met haar vermeende echtgenoot mee te willen”. Haar vader bestrijdt dat laatste nog altijd stellig. De agente besluit met haar twee collega’s, die beneden hebben gewacht, Juliana’s wens te volgen. Een ultieme poging van haar moeder om Juliana op andere gedachten te brengen, mislukt. Ze gaat met de politie mee. Volgens de agente vallen Goran en Juliana „elkaar emotioneel in de armen” bij het weerzien op het bureau.

Hun hereniging leidt tot groot onbegrip en woede bij de ouders. Temeer daar een van de agenten tijdens het voorval in het ouderlijk huis zegt dat de opvattingen van hun dochter en de Talibaan „goed” zijn. Na een klacht van de ouders erkent de districtschef later dat „het wijzer was geweest indien de agent zich van commentaar had onthouden”. Juliana’s vader zegt terugblikkend: „De Nederlandse politie heeft ons bedrogen en verraden. Zij hebben onze dochter in de armen van salafisten gedreven.” Een aantijging waar de politie desgevraagd niet op wil reageren.

In haar verklaring tegen de klachtencommissie in februari 2012 zegt de agente die met Juliana sprak met de zaak in haar maag te zitten. „Het heeft indruk op me gemaakt. Het idee dat je je kind kwijtraakt. (…) Het houdt me soms nog bezig, of het wel goed gaat met het meisje. Daar maak je je dan toch zorgen om. Ik betreur dat dit is gebeurd. Maar het kan geen verwijt zijn aan de politie. Het was de vrije wil van een meerderjarige.”

Terroristische organisatie

Exact negen maanden na het turbulente vertrek naar Oostenrijk bevalt Juliana op 21 juni 2011 ’s middags van een dochter in het ziekenhuis van Mödling. De jonge ouders zijn blij, al had Goran liever een zoon gehad, vertelt hij zijn moeder. Het contact met de moeder en vader van Goran lijkt zich even te herstellen. Goran, die zijn technische opleiding uiteindelijk toch weet af te ronden, accepteert zelfs een kantoorbaan bij het installatiebedrijf waar zijn vader werkt. Radoslav: „Goran verdiende 1.033 euro per maand. Twee dagen later was het op.” Zijn zoon wil niet vertellen waar het geld naartoe gaat. Radoslav denkt de bestemming te kennen.

Hij ontdekt dat Goran regelmatig met Juliana in een bedrijfsauto naar moskeeën in Graz en Wenen rijdt. De binnenkomende bekeuringen voor snelheidsovertredingen betaalt hij, uit angst zijn zoon te verliezen. Die heeft lak aan de boetes van het bevoegd gezag. In de herfst van 2011, na vier maanden, is het einde oefening. Gorans eis om vijf keer per dag te bidden, stuit op steeds meer weerstand. De verwijdering tussen vader en zoon is een feit. Radoslav: „Praten lukte niet meer, zelfs niet als ik hem provoceerde met de recente terreurdaden van moslims in Europa. Goran zei: het is moslims verboden mensen te doden.” Radoslav slikt bij de herinnering. „Ik geloofde hem niet meer. Het is mijn kind, maar ik zag in zijn ogen: alles is nu mogelijk. Ook dat hij iemand doodt.”

Wat niemand dan nog weet, is dat in april 2011, nog vóór de geboorte van zijn dochter, de Oostenrijkse politie een strafrechtelijk onderzoek naar onder meer Goran en zijn vriend Thomas Al-J. begint. In januari 2012 maakt het Weense openbaar ministerie bekend dat Goran M. verdacht wordt lid te zijn van een terroristische organisatie. Zijn vriend Thomas wordt aangehouden en veroordeeld tot drie jaar cel. Goran ontspringt de dans. Zijn door de staat toegewezen advocaat Gerold Rauscher: „De zaak tegen mijn cliënt, die ik overigens nooit heb ontmoet, loopt nog.” Kort voor de officiële aanklacht, in oktober 2011, is Goran met Juliana en hun dochter vertrokken naar Egypte. Van daaruit zijn ze te voet door de woestijn naar Libië gegaan, vertelt zijn moeder.

Onduidelijk blijft waarom het stel voor Libië kiest. „Geen idee”, zegt Gorans moeder Ljiljiana. Ze heeft naar eigen zeggen zowel in Egypte als in Libië nog een paar keer telefonisch contact gehad met haar „Schwiegertochter”. Tot het telefoonnummer rond de jaarwisseling plots niet meer in de lucht is. Daarna ontbreekt ieder spoor. Ljiljiana: „Het is vreselijk. Mijn antidepressiva hebben ook geen enkel effect.”

Vader Radoslav heft zijn armen, thuis op de bank: „Als ze nog leven, zie ik ze niet meer terugkomen. Dat kost geld en dat hebben ze niet.”

Usman Ishfaq, bevriend met Juliana op de middelbare school, schrikt als hij hoort wat er met haar is gebeurd. „Ze had veel vragen, was ook zelfverzekerd. Dit had ik niet verwacht. Ik denk dat ze met de verkeerde mensen in aanraking is gekomen.” Ook Ali Bestami is geëmotioneerd als hij hoort wat er met zijn jeugdvriend Goran is gebeurd. „Het was zo’n goede jongen.”

Juliana’s moeder mailt haar dochter nog met regelmaat. Een reactie komt er nooit. „En toch zet ik iedere dag als eerste mijn computer aan, om te kijken of ze me heeft gemaild.” Voor haar man illustreert het verhaal van zijn dochter de ondergang van Nederland. Woest is hij nog altijd op de mensen die zijn dochter hebben „ontvoerd”. Want een vreedzame islam bestaat niet volgens hem. „Ik teken blind alles wat Geert Wilders zegt. Over honderd jaar is in dit land niemand meer christelijk.”

Deze reconstructie is gebaseerd op gesprekken met ruim twintig direct betrokken, documenten, politieverslagen en een door WikiLeaks geopenbaard ambtsbericht van de Amerikaanse ambassade in Den Haag. Uit privacyoverwegingen zijn de achternamen van Juliana, Goran en hun familieleden weggelaten.

Reageren? Onderzoek@nrc.nl