Hoe het landsbestuur een paradijs van afgunst werd

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen? Deze week: Buma, Pechtold, Rutte en de allesoverheersende cultuur van Hollandse leiders die elkaar bijna elk succes misgunnen.

Illustratie Hajo

Het parlementaire jaar zit erop, dus laten we even stilstaan bij het interessantste experiment van het voorbije seizoen: elkaar iets gunnen. Traditioneel was besturen in Nederland, zoals u weet, elkaar iets afpakken. Dit noemden ze consensusvorming. Het CDA nam de regie. Die partij leverde zijn programma meteen na de verkiezingen voor de helft in, de leden gaven geen kik, geen krant was verontwaardigd, waarna andere partijen een alibi hadden ook in te leveren. Eindresultaat was dat partijen elkaar zóveel afpakten dat ze de kiezer jarenlang niet meer onder ogen durfden te komen. Dit noemden ze een stabiele coalitie.

Nu verwachten we positivisme van politieke leiders; een logische reactie op de somberte van de natie. Consensusvorming is vervangen door pronken met daadkracht (niet aarzelen, hervormen), een diep verlangen naar authentieke politiek (het eigen geluid), en geloof in eigen kunnen (het eerlijke verhaal). En wat vroeger afpakken was, heeft onder Rutte II dus ook een positieve draai gekregen: elkaar iets gunnen.

De tussenstand van dit experiment, als ik even positief meedenk: het slaat nog niet erg aan.

Natuurlijk – VVD en PvdA werken ijverig door aan de altruïstische grondslag van hun samenwerking. In de binnenwereld van het coalitieleven gunnen ze elkaar voortdurend van alles. Meningsverschillen worden meestal nog goedmoedig weggepraat (is Timmermans weer boos, zeggen ze: och, zo is Frans), en ook andere gedoetjes met coalitiepolitici leiden niet tot algemeen sfeerbederf. Woensdagmiddag, vanaf 5 uur, hadden de fracties een coalitieborrel in café de Haagsche Kluis aan het Plein, de PvdA betaalde de drank, en de stemming zou opperbest geweest zijn.

Probleem van de afgelopen acht maanden was alleen dat VVD en PvdA inhoudelijk zover van elkaar afstaan dat ze, als ze zaken hadden gedaan, amper speelruimte over hadden om anderen nog iets te gunnen. Zo werd de irritatie bij de oppositie en het middenveld voortdurend gevoed.

Het effect was dat Den Haag sinds de formatie in feite in twee massieve blokken uiteen viel: coalitie aan de ene kant, oppositie aan de andere – en een middenveld dat eromheen scharrelt. En het échte probleem was intussen dat coalitie en oppositie, vaak met dit middenveld als alibi, schokkend veel energie staken in elkaar de voet dwars te zetten.

Zodoende – u weet het: geen meerderheid in de senaat – kregen we het gezwalk van het laatste half jaar. Een centrumloze coalitie die met de grillen van oppositie en middenveld meedacht, maar zelden iets te bieden had. Soms ging het goed, soms was het niks, meestal hing het erom: grilligheid als dagelijks gerecht.

Je kunt de schuldvraag stellen: aan wie ligt dit? Deze week was in de Eerste Kamer nog te zien dat het vermogen van coalitiepartijen de oppositie werkelijk iets te gunnen nog steeds schokkend laag is.

Zoals u weet moest de senaat een opvolger van de gevallen voorzitter Fred de Graaf (VVD) kiezen. En je zou denken: die VVD- en PvdA-senatoren, geselecteerd om hun talent voor reflectie, lezen ook wel eens een krant, die zien aankomen dat het kabinet na de zomer mogelijk een probleem met de oppositie in de senaat heeft. Dus er is iets voor te zeggen die oppositiepartijen te vriend te houden. Ze, inderdaad, iets te gunnen.

Dat had u gedacht. Vier senatoren stelden zich kandidaat, waarvan drie uit VVD en PvdA: twee sociaal-democraten en één liberaal. De PvdA’ers bereikten alleen dat ze elkaars kansen verknoeiden. Zodoende ging het uiteindelijk tussen de VVD-kandidaat, Ankie Broekers-Knol, en de kandidaat van de oppositie, de CDA’er Hans Franken. En toen kwam het: nadat de PvdA’ers waren afgevallen, besloten PvdA-senatoren voor de VVD-kandidaat te stemmen, die zodoende won: de coalitie gunde de hoofdprijs, opnieuw, aan zichzelf.

Dit is niet het enige probleem. Bij de oppositie in de Tweede Kamer speelt dat in feite alle politieke leiders een geloofwaardigheidsprobleem hebben. En soms een gekwetst ego erbij. Nog maar een jaar geleden hielden Pechtold en Buma het wankele premierschap van Rutte overeind met hun steun aan het Lenteakkoord. In die dagen stak Samsom geen poot naar de premier uit. Dus toen Rutte de verkiezingen won, met een overaanbod aan onhaalbare beloften die CDA en D66 stemmen kostten, hadden Buma en Pechtold weinig motivatie meer om zijn premierschap te stutten. Neem het ze eens kwalijk.

Hetzelfde gold voor Van Ojik, in wiens partij na de steun aan het Lenteakkoord een begrafenisstemming hing. En voor Roemer, die in het mes van zijn eigen redelijkheid liep, en voor Wilders, die zichzelf buitenspel zette.

Bleven twee minipartijen over die zich onverminderd gouvernementeel opstelden: ChristenUnie en SGP. De confessionelen Slob en Van der Staaij als laatste steunpilaren van een vooral liberale coalitie: dat is anderen écht iets gunnen.

Daarom is de opstelling van het CDA onder Buma ook zo onwaarachtig. De houding van Slob en Van der Staaij is precies de positie die het CDA een eeuwlang tot regisseur van machtscentrum maakte. Nu trakteert die partij het Binnenhof alleen maar op de eigen verwarring. Begin 2012 legde het CDA in een partijdocument nog een claim op ‘het radicale midden’, nu schiet de partij op alles dat het kabinet presteert. Van het radicale midden naar het radicale misgunnen in nog geen jaar.

Tegelijk merk je aan CDA en D66 dat zij, net als het kabinet, ook zelf betwijfelen of ze de juiste positie kiezen. Niet voor niets visten D66-prominenten als Van Boxtel en Borst dit voorjaar openlijk naar een plekje voor hun partij in het kabinet. En toen het er bij het Woonakkoord op aankwam koos Pechtold toch weer voor Rutte – ook al schreeuwde het hart: niet doen.

Het CDA kon dit toen nog niet opbrengen, maar intern groeit daar de vrees dat de partij schade oploopt als het beeld van opportunistische oppositie beklijft. Dus het staat eigenlijk al in de sterren dat Buma in het najaar op momenten redelijker zal zijn.

Ook dit maakt de situatie zo verraderlijk ingewikkeld: om het kabinet effectief succes te misgunnen zullen partijen van tijd tot tijd vooral de indruk moeten wekken dat ze Rutte en Samsom echt wel wat gunnen.

Bij dit alles speelt ook nog dat sommige VVD’ers en PvdA’ers er niet meer van overtuigd zijn dat het verstandig was in april dat polderakkoord te sluiten. Het idee was dat VNO-NCW en CNV, traditioneel aan het CDA gelieerd, Buma aan het kabinet zouden binden – helaas pindakaas. Tegelijk gaf het onderlinge gunnen de coalitie alleen ruimte de extra bezuinigen voor 2014 een paar maanden op te schorten – waardoor de oppositie chagrijnig werd en de sociale partners vervolgens ook. Het culmineerde vorige week in het interview van Wientjes met de Volkskrant, waarin hij de facto dreigde alle banden met het kabinet te verbreken.

De vraag is natuurlijk of een Nederlands kabinet zonder de polder zou kunnen. Genoeg jongere VVD’ers en PvdA’ers denken eigenlijk dat dit beter zou zijn. Zet sociale partners bij het oud vuil, bestrijdt de greep van VNO-NCW op de Eerste Kamer, en laat de regering gewoon regeren.

Het zou ongekend zijn in de Hollandse verhoudingen, en het zegt veel dat dit sentiment groeit, maar gaandeweg de week leek het erop dat de coalitie het risico niet aandurft: ze wilden de werkgevers kennelijk toch weer het een en ander gunnen.

De ware ironie van dit hele experiment is intussen dat de man die de laatste maanden het meeste van zijn verkiezingsprogramma weggaf, Rutte, ook degene is die het afgelopen seizoen de meeste plaatsen op de informele Haagse pikorde daalde. Hij gunde zijn partners pas echt veel, en wordt er dus vooral voor afgestraft.

Kortom – elkaar iets gunnen was zo’n gek idee niet, maar de openbare verkondiging ervan leidde er vooral toe dat de andere partijen de winnaars hun overwinning gingen misgunnen. Vervolgens bleken de winnaars impotent de oppositie werkelijk iets te gunnen. Zo ontstond de cultuur van elkaar bijna alles misgunnen.

Bestuurscentrum als paradijs van afgunst: erg opbeurend is het niet.