Het eenzame kabinet

Nog maar acht maanden geleden werd het tweede kabinet-Rutte beëdigd. Dit tweepartijenkabinet van VVD en PvdA komt nu aan zijn eerste begroting toe. Dat gebeurt in betrekkelijke rust, omdat deze week het zomerreces van de Tweede Kamer is ingegaan; de Eerste Kamer volgt woensdag.

Maar tegelijkertijd is de Rijksbegroting voor het jaar 2014 de eerste grote testcase voor het kabinet, dat er in de eerste maanden van zijn bestaan niet in is geslaagd veel applaus op te roepen.

De start was veelbelovend; het regeerakkoord kondigde de hervormingen op vooral sociaal-economisch terrein aan die al veel langer noodzakelijk waren. Vrij breed leefde ook de wens dat dit semipaarse kabinet voor de politieke stabiliteit zou zorgen waaraan het in Nederland deze eeuw had ontbroken: vanaf 2002 vijf verschillende kabinetten in tien jaar tijd.

De totstandkoming van de VVD/PvdA-coalitie – twee winnaars, de twee grootste partijen na de verkiezingen van 12 september 2012 – was een wens die breder leefde dan onder deze partijen alleen. Hun soms scherpe kritiek van nu ten spijt: CDA-leider Buma adviseerde ‘verkenner’ Kamp destijds direct om een „stabiel kabinet” van VVD en PvdA na te streven; ook D66-lijsttrekker Pechtold meende dat de vorming van die coalitie moest worden beproefd zonder dat zijn partij daarbij een rol hoefde te spelen. Een meerderheid voor het kabinet in de Eerste Kamer achtte hij niet bij voorbaat noodzakelijk.

Maar juist het op voorhand ontbreken van voldoende stemmen in de senaat zet een rem op de handelingssnelheid van het kabinet-Rutte II. Het tracht(te) het motto van zijn regeerakkoord ‘Bruggen slaan’ in de praktijk te brengen. Dat heeft tot diverse ‘akkoorden’ geleid, waarvan de pijlers niet erg solide zijn. Het op zichzelf toe te juichen sociaal akkoord met werkgevers- en werknemersorganisaties heeft een deel van zijn effectiviteit verloren. VNO-NCW en MKB hebben, opvallend genoeg, afstand genomen van de bezuinigingsvoornemens van het kabinet; het enthousiasme onder de verdeelde vakbeweging was al nimmer groot.

Het kabinet is vereenzaamd. De toon van de oppositiepartijen is verhard; zij zijn zich ervan bewust dat het kabinet buiten de coalitie één (CDA) of meer partijen nodig heeft om zijn wetsvoorstellen door de Eerste Kamer te krijgen.

De senaat, het niet rechtstreeks gekozen deel van de volksvertegenwoordiging, heeft de sleutel in handen. De deze week nieuw gekozen voorzitter, Ankie Broekers-Knol (VVD), beloofde een constructieve houding van de Eerste Kamer: „Ik zal alles in het werk stellen om weerstand te bieden aan de positie waarin deze Kamer op dit moment door de buitenwacht wordt gemanoeuvreerd. De Kamer doet wat zij altijd heeft gedaan en wat haar opdracht is: het beoordelen van wetsvoorstellen op rechtmatigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid.”

Maar te vrezen valt dat deze Kamervoorzitter niet namens veel meer mensen sprak dan zichzelf. Al mag van de Eerste Kamerleden worden verwacht dat zij zullen laten zien dat ze meer zijn dan stemvee dat vanuit de Tweede Kamerfracties wordt geleid. Interessant is bijvoorbeeld de positie van het CDA dat zich moet afvragen in hoeverre kabinetsvoorstellen eigenlijk afwijken van zijn eigen verkiezingsprogramma.

Het komende politieke seizoen wordt cruciaal voor het kabinet. Veel van het voorgenomen beleid heeft als geplande invoeringsjaar 2015. Dat moet dus uiterlijk in 2014 langs het parlement worden geloodst. Dat is het jaar waarin gemeenteraadsverkiezingen(19 maart) en Europese verkiezingen (22 mei) worden gehouden. In het algemeen het sein voor verhardende politieke verhoudingen. Een jaar later gaan de kiezers naar de stembus voor de Provinciale Statenverkiezingen; die zullen van directe invloed zijn op de stemverhoudingen in de Eerste Kamer.

Wil het kabinet, telkens geplaagd door weer nieuwe economische tegenvallers, de zo nodige hervormingen realiseren, dan zal het meer overtuigingskracht moeten etaleren en moeten hopen op een oppositie die niet louter oppositie voert om het oppositie voeren.

Pogingen om in de Tweede Kamer op belangrijke thema’s tot consensus met oppositiepartijen te komen lijken, afgezien van het woonakkoord, weinig kansrijk. Laat dan de confrontatie met de Eerste Kamer maar komen.