Dudeljo in de Drunense Duinen

wandelt deze zomer elke week naar een uitspanning. Deze week: Herberg De Drie Linden in Drunen.

In de verte holt een poolhond over de zandvlakte, het versterkt de indruk van verlatenheid. Rondom ons strekt zich een indrukwekkende zandverstuiving uit, de kale hellingen glooien naar donkere dennenbosranden. In de nacht heeft het geregend en het zand is daardoor minder rul dan op droge dagen, maar toch loopt het zwaar, speciaal voor een van ons die (in de zestig!) bij een mislukte circusact van een skippybal is gesprongen en zijn voet heeft gekneusd.

Landschap is vergankelijk. Eerst was hier bos, dat werd gekapt voor brandhout en landbouw, toen was er hei die is afgeplagd voor mest, waarna een zandverstuiving overbleef waar opnieuw bos en hei zich zouden vestigen als men de natuur zijn gang had laten gaan. Het Nationaal Park De Loonse en Drunense Duinen is het grootste verstuivinggebied van ons land en we willen er vandaag helemaal omheen lopen.

De route gaat onderlangs de randwallen en fortduinen van de Koperen Del en de Zwarte Berg over door paardenhoeven omgewoelde paden en verende bosweggetjes die overdekt zijn met dennennaalden. We zien op deze zaterdag meer mensen dan meestal in Nederlandse natuurgebieden, maar ze blijven doorgaans in de buurt van een uitspanning, waarvan er zes rond het nationaal park liggen.

In het bos is het weer volkomen stil. Vlak voor ons baadt een vogel zich in een poel regenwater. Welke is het? Dan vliegt hij op en zien we het geel en zwart van zijn vleugels flitsen. Een wielewaal! Prompt heffen we met zijn allen aan: „Kom mee naar buiten allemaal, dan zoeken wij de wielewaal!’’ Dudeljo, klinkt zijn lied.

Regelmatig wijzen pijlen ons opnieuw het zand in en dat is een beetje zwoegen. Maar net als we vermoeidheid voelen opkomen, opent zich het uitzicht. Grote weiden en akkers aan weerszijden, omsloten door duistere coulissen van bos, waartegen vingerhoedskruid bloeit.

Langs een klinkerweggetje liggen een oude hoeve (nu zorgboerderij), een dorpspomp (‘geen drinkwater’) en een monumentje voor het 750-jarig jubileum in 1994 van Giersbergen, dat zich trots ‘gehucht’ noemt en ontstaan is als uithof van de abdij Ter Kameren bij Brussel.

Huifkarren en mountainbikes

Dan zien we om de bocht de herberg voor ons. Wit gesausde muren onder een rood pannendak, drie linden die in elkaar verstrengeld voor de ingang staan en het etablissement hun naam gaven. Huifkarren met dagjesmensen (en een accordeonist aan boord) leggen aan, joggers in kleurige outfits doen rekoefeningen, naast het terras staan mountainbikes geparkeerd. Binnen is het donker betimmerd en hangen reeëngeweien aan de wand. Bij de koffie: warme Brabantse Broeder, alias krentenmik. Buiten is een speeltuin, een hertenweide en aan de overzijde staat een pittoresk rietgedekt huisje met rode luiken. Het blijkt, nogal onromantisch, een voormalige cafetaria te zijn, uit de jaren zestig: een antiek frietkot.

Met enige spijt laten we Giersbergen achter ons. Zo’n eeuwenoude nederzetting, omgeven door uitgestrekte wouden en zandwoestenijen: alsof hier een klassieke streekroman ieder moment een aanvang kan nemen.