De ‘Arabische lente’ lijkt alleen in Tunesië nog een kans te maken

De Arabische wereld is een verzamelnaam voor heel verschillende landen. Rijk, arm, monarchie, republiek. De opstanden pakken daardoor overal anders uit.

Wat is er nog over van de ‘Arabische lente’?

Egypte begint deze week helemaal overnieuw na de militaire coup tegen de eerste democratisch gekozen president Mohammed Morsi. Libië is in handen van milities die met hun wapens gunsten afpersen van de zwakke centrale regering. Het had onder Moammar Gaddafi geen instituties, en het heeft ze nog steeds niet. Ver weg koerst het armlastige Jemen onstuitbaar af op de status van mislukte staat, met opstanden in het noorden en het zuiden en een Al-Qaeda-bolwerk daartussen in. In Bahrein rommelt intussen de shi’itische opstand door, maar de Saoedische militaire hulp garandeert dat de bevriende sunnitische monarchie niet in gevaar komt. De opstandelingen worden als pro-Iraanse opruiers weggezet. Syrië is al twee jaar één groot, bloedig slagveld. Uitzicht op een oplossing is er niet.

Alleen Tunesië, het eerste Arabische land waar in 2011 het volk tegen zijn oude leiders in opstand kwam, vertoont voorlopig een relatief positief beeld.

Egypte volgde destijds Tunesiës voorbeeld; president Hosni Mubarak viel drieënhalve week nadat de Tunesische sterke man Zine al-Abidine Ben Ali op 14 januari naar Saoedi-Arabië was gevlucht. De snelle val van deze twee oude, corrupte mastodonten, die op het eerste gezicht onverbrekelijk vastgelijmd zaten aan hun zetels, leidde destijds tot opgewonden speculaties over een niet in te dammen vloedgolf van democratische revoluties over de hele Arabische wereld. Eindelijk. De jeugd, werkloos en onderdrukt, walgend van de corruptie en machtshonger van hun oude leiders, en gewapend met iPhone, Facebook en Twitter, zou deze kans grijpen.

Maar de volksopstanden sloegen niet langer over naar andere landen na het begin van de protesten tegen Bashar al-Assads bewind in Syrië, half maart 2011. Na drie maanden van oproer hadden de nog gespaarde regimes hun tegenmaatregelen genomen, een combinatie van harde repressie, oppervlakkige hervormingen en kostbare werkloosheidsprogramma’s.

En toenemend werd het resultaat van de opstanden zelf een voorbehoedsmiddel. In Saoedi-Arabië, dat weliswaar rijk is maar ook een grote jeugdwerkloosheid kent, zeiden jongeren onlangs desgevraagd hun situatie zonder meer te prefereren boven de chaos in Egypte en het geweld in Syrië. Internet kan een wapen zijn, maar geeft ook inzicht in het falen van revoluties. „Arabische Lente? Niet voor ons”, riep een groep Saoedische studentes.

De optimisten waren ook vergeten dat de Arabische wereld niet meer is dan een verzamelnaam voor volstrekt verschillende landen. Hier rijk, daar arm, monarchieën, republieken. Het kleine, superrijke Qatar heeft niets gemeen met Jemen. Om al die redenen bereikten uiteindelijk de opstanden maar een heel klein deel van de Arabische wereld.

Tunesië is ideaal proefterrein voor democratisering. Het is niet te groot of te dichtbevolkt (10 miljoen inwoners), het is geen lappendeken van minder- en meerderheden zoals veel andere Arabische landen, en het is de hoogst opgeleide en economisch best presterende Arabische staat. Bovendien heeft het leger er nooit zo’n dominante politieke rol gespeeld als de generaals in Egypte. In vergelijking heeft Egypte het zoveel moeilijker: met 80 miljoen in meerderheid niet- of nauwelijks opgeleide inwoners, een snel verslechterende economie, en een scherp meekijkend leger.

Toch heeft ook Tunesië tweeënhalf jaar na de val van Ben Ali problemen. Het had met Egypte gemeen dat er fundamentalisten aan de macht zijn die jarenlang werden onderdrukt. Niet voor niets waren president Marzouki en woordvoerders van de regeringspartij Ennahda de enige officiële Arabische vertegenwoordigers die de coup in Egypte veroordeelden.

Maar een militaire staatsgreep zoals in Egypte is onwaarschijnlijk in Tunesië, meende Ennahda-premier Ali Larayedh deze week. „Onze benadering wordt gekarakteriseerd door consensus en partnerschap”, zei hij in een vraaggesprek met het televisiekanaal France 24.

Larayedh had gelijk. De woede van de Egyptenaren over de machtshonger van hun Moslimbroeder-bewind is onvergelijkbaar veel groter en breder dan die van de Tunesiërs over het hunne. Seculiere groepen, die in Tunesië sterk zijn, zijn woedend over het geweld van ultraconservatieve salafisten en het falen van de regering daar daadkrachtig tegen op te treden. Maar in tegenstelling tot Egypte kunnen zij meedoen.

Zojuist is in de grondwetgevende vergadering een woest debat begonnen over de ontwerpgrondwet, met de rol van de islam als strijdpunt. Moet de islam staatsgodsdienst worden zoals het huidige ontwerp stelt? Wat de regeringspartij probeert door te drijven is „afschuwelijk en illegaal”, zei een seculier lid van de Assemblee. Critici lezen erin dat de regering islamitisch moet zijn. Vertegenwoordigers van Ennahda noemden de critici „onrijpe dwergen”.

Ja, in Tunesië kan het nog wel lente worden.