Uitgeput, verward en chagrijnig de zomer in

De Tweede Kamer beëindigde gisteravond het parlementaire jaar 2012-2013. De coalitiepartijen VVD en PvdA stralen uit dat alles onder controle is, maar is dat ook zo? Hoe staan de oppositiepartijen er voor? En welke politieke woorden kenmerkten de eerste acht maanden van Rutte II?

Uitgeput, verward en chagrijnig, zo kan de gemoedstoestand van veel Haagse politici in deze laatste week voor de zomer worden samengevat.

De eindeloze en vaak vruchteloze overlegrondes tussen kabinet, oppositie en sociale partners; de noodzaak het financiële beleid steeds weer aan te passen omdat de economische groei tegenvalt; akkoorden die wel en dan weer niet worden gesloten; de totale onvoorspelbaarheid van het politieke proces dat daaruit voortvloeit.

We zijn net een stelletje ADHD’ers, zegt een oppositielid: „Bij elk nieuw cijfer, elke nieuwe economische raming, maken we elkaar gek.”

Iedereen heeft er even genoeg van.

En het echte werk komt nog. Komend jaar moet het kabinet cruciale wetsvoorstellen door de Eerste Kamer loodsen, waar het geen meerderheid heeft. VVD en PvdA onderhandelen over een aanvullend bezuinigingspakket van 6 miljard, wat tot onderlinge spanningen leidt maar ook de relatie met werkgevers en werknemers belast. Tegelijkertijd probeert de coalitie pensioenfondsen – bestuurd door die werkgevers en werknemers – te verleiden in de bouw te investeren, om de economie een impuls te geven. En dan zijn er nog de gemeenteraadsverkiezingen.

Coalitiepartijen VVD en PvdA stralen uit dat de zaak onder controle is, en dat zij de politieke en maatschappelijke weerstand tegen de bezuinigingen en hervormingen kunnen overwinnen. Oppositiepartijen doen laatdunkend over de effectiviteit van het kabinet en pretenderen wél onfeilbare ideeën te hebben om economie en verzorgingsstaat te redden.

Beide posities zijn ongeloofwaardig. Ondanks de problemen van de coalitie is het moeilijk voor te stellen dat de oppositiepartijen het beter zouden doen. Miljardenbezuinigingen bieden geen gemakkelijke weg.

Ondanks het getoonde optimisme heeft het kabinet een fundamenteel probleem: de verkozen routes om de minderheidspositie in de Eerste Kamer te omzeilen ogen zo langzamerhand onbegaanbaar.

De eerste weg, steun afdwingen via de polder, leek te lukken. Maar nu werkgevers en werknemers zich weer zo tegen het kabinet verzetten, neemt de druk op de Eerste Kamer af om de afspraken uit het sociaal akkoord en het zorgakkoord te steunen.

De tweede weg, direct onderhandelen met de oppositiefracties in de Tweede Kamer in de hoop dat hun zusterfracties in de Eerste Kamer aansluiten, is door de coalitie nu wel doodverklaard. De parade van bewindspersonen naar de Kamer leverde weinig meer dan verwarring op – hoe mediageniek, dynamisch en democratisch het zoeken naar gelegenheidscoalities ook voelt. De meeste bewindspersonen hebben er genoeg van. Elke keer dat het op niets uitloopt, lijden zij een publieke nederlaag.

Bij sommige PvdA’ers en VVD’ers landt het besef dat het een fout was sociale partners en oppositie zo belangrijk te maken. Natuurlijk, feitelijk heeft het kabinet hen nodig. Maar door dat zelf bij elke gelegenheid te benadrukken hebben ze deze spelers een te grote machtspositie gegeven. De politieke cadeautjes waarmee is gestrooid, hebben geen loyaliteit gekweekt. Het is nu, zegt een prominent lid van de coalitie, alsof we met een stel kleine kinderen zitten die we te veel hebben verwend. „En wij zijn ouders die nog twisten of het moment is aangebroken om streng te worden.”

Het kabinet zit zo gevangen in een paradox: in een poging maatschappelijke rust te creëren zoekt het brede steun voor zijn ingrijpende bezuinigingen. Maar het effect is omgekeerd. Omdat de brede steun uitblijft, vergroot de zoektocht naar compromissen en gelegenheidscoalities juist de onzekerheid die de coalitie wil wegnemen.

De derde weg is de omkering van alle tactiek: het verzet niet neutraliseren, maar opzoeken. Die gedachte heeft al bij de VVD postgevat en begint ook te leven bij de PvdA – partijleider Samsom hecht grote waarde aan brede steun.

Stop met het masseren van sociale partners. Call their bluf. Leg uit dat in het verzet van vakbonden en werkgevers ook veel eigenbelang meespeelt. Stuur de wetgeving dan maar zonder steun van de oppositie naar de Eerste Kamer – die zal echt niet alles wegstemmen.

Dit confrontatiemodel heeft voor het kabinet een belangrijk voordeel. De onduidelijkheid wordt vervangen door een duidelijke winnaar en verliezer. Dat geeft ook rust. Het nadeel is evident.

De worsteling van het kabinet is bij de oppositie niet alleen met plezier gadegeslagen. Want, zoals iemand daar zegt: „Kiezers maken geen onderscheid tussen oppositie en coalitie. Die zeggen gewoon dat die politici er weer een zooitje van maken.” Een ander lid verwelkomt daarom het zomerreces: „Als we allemaal drie maanden onze mond zouden houden, zou het echt veel beter gaan met Nederland.”

Met medewerking van Annemarie Kas, Tom-Jan Meeus, Thijs Niemantsverdriet en Emilie van Outeren