'Liefje, frappé gaat met die voeten'

Vlak voor zijn dood begon choreograaf Rudi van Dantzig aan een boek over Sonia Gaskell, de vrouw die allesbepalend was voor de hele Nederlandse naoorlogse danswereld.

In twee steden is Sonia Gaskell vastgepind op een straatnaambordje: in de Leidse wijk van vrouwelijke pedagogen en in de Danswijk van Almere. Rudi van Dantzig zet de Russisch-Nederlandse danspedagoge in beweging in de Amsterdamse Zomerdijkstraat. De filmische proloog van wat zijn laatste boek is geworden, registreert nauwgezet hoe de elegante vrouw op haar klikklakkend schoeisel door de stille zonovergoten straat schrijdt. Het is vroeg in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Op de rug gezien straalt de vrouw ‘alleen-heid’ uit, schrijft hij. ‘Zij past niet in deze straat, niet in deze stad, niet in dit land.’ Ze is raadselachtig.

Met de dood op de hielen bewerkte de schrijver, danser, choreograaf en balletleider zijn herinneringen aan en bevindingen over Sonia Gaskell, de ‘Mevrouw’ die allesbepalend was voor zíjn leven en dat van de andere pioniers van de Nederlandse naoorlogse dans. De een meer dan de ander passeren ze scherp getekend zijn revue, die in feite de hare was. Vanuit Zomerdijkstraat 26 begon Gaskell haar missiewerk: het opleiden en modelleren van dansers die een Nederlandse balletstijl konden scheppen en blijvend zouden uitdragen. Op dit adres ontsproot een traditie die nu even vanzelfsprekend als wereldberoemd is.

Hoe Gaskell, in 1904 geboren als Sarah Gaskelyte in Vilkaviskis in het huidige Litouwen, hier terechtkwam en wat ze teweegbracht, behandelt Van Dantzig in een caleidoscopisch epos dat zijn heldin niet spaart en dat haar gaandeweg naderbij brengt. Ze droeg het hart op de tong, maar gaf weinig van zichzelf prijs. Na haar dood in 1974 kwam Van Dantzig steeds meer over haar voorgeschiedenis te weten, vooral door zijn ontmoeting met de dochter van haar zuster Ida. Hij kreeg documenten, foto’s en brieven onder ogen waarmee hij zijn herinneringen en notities kon onderbouwen. Het is geen biografie geworden, maar veel meer dan dat.

Met gevoel voor humor en, net als Gaskell, met onomwonden opinies, waarbij zijn voorkeur voor puurheid en zijn hekel aan maniërisme de boventoon voeren, maakt hij de wapenfeiten van Gaskells leven in hun alledaagse enscenering aanschouwelijk en soms zelfs hoorbaar. Hij begint bij haar voeten, immer in hooggehakte sandalen die ruimte geven aan de opgezwollen knokkel. Hij eindigt bij haar krachtige gezicht met de wijd uit elkaar staande ogen. Terwijl hij een chronologische reeks portretten probeert te doorgronden, is de lezer dan inmiddels goed genoeg ingevoerd om met hem mee te kunnen speuren.

Van Dantzig ging in 1950 in de Zomerdijkstraat op balletles en zou Gaskell bijna twintig jaar later opvolgen als artistiek leider van Het Nationale Ballet. Hij putte dus uit een rijke bron – en uit de verhalen van onder anderen zijn ex-geliefde en levenslange vriend, de choreograaf Toer van Schayk, die hem tot op het laatst terzijde stond. Gaskell verschijnt in al haar passie, met haar nukken, haar beurtelings geharnaste en kokette houding, kettingrokend, papiertjes verkrummelend zodra ze penibele kwesties probeert te omzeilen en met ‘haar priemende blik en de schrille klank van haar karakteristieke accent’. ‘Roeti’ noemde ze hem, en vooral ‘Roeti verdomme’, als hij in de les haar hoge eisen niet haalde. Je hóórt haar als ze met haar typische tussenvoegsel ‘wel’, uitspraken doet als: ‘Ik ga wel niet met een gezonde hoofd in één zieke bed liggen.’ Of, gevleugeld onder de tijdgenoten, de vermaning tegen een meisje met gulle vormen: ‘Nee, liefje, frappé is wel niet van die borsten, frappé gaat met die voeten!’ Ondertussen roept hij het tijdperk op, de armoedige jaren vijftig en ontluikende jaren zestig, een periode van elan en improviseren onder elke – bizarre – omstandigheid. Het is een schouwspel met vrolijke entr’actes en dramatische passages, levendige dialogen en uiteenlopende hoofd- en bijfiguren, gechoreografeerd rondom deze eigengereide vrouw die telkens in de coulissen verdween zodra de situatie haar niet beviel en die even plotseling weer haar entree maakte – op haar klikklakkende hakken – om de handeling voort te stuwen.

Van Dantzig droeg zijn boek op aan ‘Marianna en Jaap en alle andere oud-collega’s’. Aanwezig bij de eerste repetitie van een pas de deux voor Marianna Hilarides en Jaap Flier – het legendarische danspaar uit die jaren – ziet hij in een prachtige intieme scène hoe Gaskell dichtregels van Baudelaire in beweging omzet met de regieaanwijzing: ‘Is eerste liefde, gaat niet kapot.’ Het is een van de sleutelzinnen.

De artistieke betekenis van Gaskell, die in 1939 met haar tweede echtgenoot, de Nederlander Philipp Heinrich Bauchhenss, uit Parijs naar Amsterdam kwam en haar dansstudio begon, werd na haar dood overschaduwd door verhalen over haar onaangename bejegening van dansers, medewerkers en rivalen. ‘Mevrouw was een meester in het negeren van mensen die haar niet aanstonden en onderstreepte op een onsympathieke manier haar machtspositie.’ Ze speelde politieke spelletjes, maar had het land aan slippendragers – hierin hartgrondig gevolgd door Van Dantzig. ‘Menier Schuultienks potje-kaikers!’ zegt ze als recensent Joop Schultink – die carrières kon maken en breken – een zooitje collegae meeneemt naar de studio. Ook dit moet gevleugeld zijn onder de nu bejaarde pioniers.

Zonder Gaskell vrij te pleiten brengt Van Dantzig talloze voorvallen, waarin ze mensen op hun nummer zet, in balans met de bewijzen van haar feilloze instinct voor kwaliteit, culminerend in een beeldende getuigenis van haar temperamentvolle bewegingen in het leslokaal. Hij beseft dat het danslandschap bepaald anders was geweest als niet Gaskell de dienst had uitgemaakt. Dat hadden de potje-kaikers die haar verkozen boven Françoise Adret toch goed gezien. Ze koos de juiste buitenlandse choreografen voor haar dansers, eerst bij Ballet Recital, dan bij het Nederlands Ballet en ten slotte bij Het Nationale Ballet. Ze bood hem en anderen de kans te beginnen met choreograferen. Als het om de kunst ging, was ze gul. Op haar manier. Zo vroeg ze hem niet om in dienst te treden bij Het Nationale Ballet: ze riep, terwijl hij bij de deur stond, naar haar secretaresse dat Roeti zijn contract ging tekenen.

Over haar voormalige dansersbestaan repte ze nooit. Niemand uit de stal van Diaghilev die hij ontmoette, kon bevestigen dat ze inderdaad in de achterste gelederen van diens legendarische Ballets Russes had gestaan. Léonid Massine, Serge Grigoriev, Marie Rambert, Ninette de Valois, allen reageerden verbaasd. Ook George Balanchine, van wie Gaskell het ene na het andere ballet mocht overnemen, gaf hem geen uitsluitsel.

Het past bij het schrijverschap van Van Dantzig dat zijn onderzoek telkens op meer raadsels stuit. Nooit heeft hij ten volle haar rancune begrepen. Het was of wantrouwen haar dreef. Ontevreden dansers beraamden in 1958 in het geheim – het verhaal is bekend – de oprichting van het Nederlands Danstheater. Tijdens een tournee in Passau kwam Van Dantzig samen met René Vincent ’s avonds op haar hotelkamer met het ultimatum van ‘de rebellen’. De gedetailleerde passage – Gaskells haar in krulspelden, slofjes aan haar voeten – druipt van de tragiek. Het was moedermoord, zei Jaap Flier naderhand en Van Dantzig beaamt het. Door haar weigering op de eisen in te gaan, is ze (mede)verantwoordelijk geweest voor niet één, maar twee befaamde dansgezelschappen.

Toen Van Dantzig op 19 januari 2012 overleed, was het manuscript onvoltooid. Hij had het ‘Een eeuwig opnieuw beginnen’ willen noemen, een van haar uitspraken. De uitgeverij opperde ‘Mevrouw en ik’, daarmee volstrekt voorbijgaand aan het hele tijdperk dat de auteur oproept: rauw, kaal, inspirerend, anarchistisch en vooral vol danswoede. In het voorjaar van 1959 smijt danseres José Schuurman een zak rauwe eieren “ongetwijfeld voor huishoudelijk gebruik aangeschaft” naar het hoofd van de zakelijk leider, omdat die niet begrijpt wat er in de groep speelt. De hilarische happening mag voortaan gelden als het begin van de revolte in de Nederlandse kunstwereld.

Tijdens het schrijven over Gaskells artistiek leiderschap moet Van Dantzig de analogie met het zijne gezien hebben. Het maakt Herinneringen aan Sonia Gaskell (en haar tijdperk) persoonlijk en expressief. Merkwaardig dus, dat redacteur Maria Vlaar hem in haar pontificale nawoord kenschetst als een bescheiden mens. Bescheiden? Hij maakte vanaf zijn debuut Nachteiland meer dan vijftig choreografieën, publiceerde daarnaast een literair oeuvre, leidde Het Nationale Ballet geheel in de lijn van Gaskell met vallen en opstaan en moest net als zij opgeven omdat zijn tijd voorbij was. Gelukkig was hij dus allesbehalve bescheiden en is hij die dag in 1950 ‘op goed geluk’ naar de Zomerdijkstraat gefietst om bij Gaskell op les te gaan. Van Dantzigs zwanenzang is een document van historische waarde.