Liefde voor de lege wereld

In I Am Legend, een film uit 2007 die gebaseerd is op de roman van de vorige week overleden Richard Matheson uit 1954, loopt Will Smith door New York. Hij is de enige persoon op straat, samen met zijn hond. De meest levendige stad ter wereld is volledig verlaten. Hij slaat vanaf een leeg vliegdekschip golfballen het water in, en zit in de haven aan een mooi bureau elke dag te wachten op andere overlevenden. Maar er komt niemand. Hij is de enige mens op aarde die niet door de epidemie overvallen is. Hij is de uitzondering. De mens is de legende, en niet de talrijke monsters die ’s nachts over de straten heersen.

De uitgestrektheid van een eens overvolle, nu lege wereld is een utopisch gegeven. Wie zou niet af en toe de hele wereld uit willen zetten om in volmaakte rust en stilte door zijn of haar stad te kunnen lopen? Aan de andere kant is het een verbeelding van de hel op aarde. De leegte is overweldigend, niet te bevatten, alsof je midden in een oceaan gedropt bent. Het is extreem eenzaam en onveilig.

Dit dubbele gevoel is de reden dat het postapocalyptische genre ons al ruim een halve eeuw boeit. Schrijvers buigen zich al sinds Robinson Crusoë (1719) over het idee van eenzaamheid buiten de beschaafde wereld, maar nadat in 1945 de atoombom op Hiroshima viel werd het scenario van een leeggeveegde aarde plotseling reëel.

Sinds de jaren vijftig werden talloze romans in deze leegte gesitueerd, met de Pulitzer Prize-winnaar The Road (2006) van Cormac McCarthy als literair hoogtepunt. De laatste tien jaar – met de vele crises in het Westen, het eindigen van de Mayakalender en de grote populariteit van zombies in de cultuur – is de productie van dit soort wereldramp-epilogen in films, tv-series en boeken geëxplodeerd.

De Amerikaanse journalist Peter Heller debuteerde vorig jaar met een postapocalyptische roman, nu vertaald als De Hondsster. De vraag is of het dom of dapper is om in zo’n overbevolkt genre je eerste stappen richting fictie te zetten.

Wapenexpert

Hig heeft tijdens de pandemie zijn vrouw verloren. Hij woont nu op een klein vliegveld met zijn hond Jasper en Bangley, een norse veteraan. Voor wapenexpert Bangley staat alles in het teken van overleven, van het bewaken van hun grens, terwijl Hig nog steeds hoopt dat er meer is. Samen met zijn hond Jasper maakt hij in een vliegtuigje verkenningstochten door de omgeving en brengt voedsel aan een kolonie van zieke families. Tijdens een van die tochten hoort hij een mysterieuze oproep op de radio.

In eerste instantie slaak je als lezer een luide zucht bij de postapocalyptische clichés. Een man die zijn vrouw heeft verloren en daar vaak aan terugdenkt. Met een hond. En ijdele hoop. Mensen die in beesten veranderen zodra het leven om stromend water en voedsel draait. Een vage bloedziekte. Magere kinderen. Een uitgestrekte natuur die gruwelen herbergt. Dat kennen we nu wel.

Maar Heller is een uitstekende schrijver. Zijn originele stijl doet je al snel de non-originaliteit van zijn onderwerp vergeten en sleept je mee in Higs fantastische verhaal. Zijn gedetailleerde blik maakt de simpelste scène (het boek leest als een film) boeiend en herkenbaar. Big Hig is een simpele ziel, een strong silent type in de traditie van Hemingway. Maar hij is ook een romanticus die ooit schrijver wilde worden, waardoor hij zijn verhaal in korte alinea’s en een mix van ongepolijste zinnetjes en vlot lopend proza vertelt: ‘Verdriet is een element. Het heeft zijn eigen cyclus, net als de koolstofcyclus, de stikstof. Het wordt niet minder, nooit. Het gaat alles in en weer uit.’

Het contrast met de zakelijke overlever Bangley maakt Hig sympathiek, maar doet ons ook afvragen wat leven nu eigenlijk is. Zijn verkenningen met het vliegtuig en zijn jachttochten in de bergen (die Bangley smalend ‘vakanties’ noemt) zijn eigenlijk pogingen om de hoop niet op te geven, om meer te zijn dan een menselijke machine die telkens bijgevuld moet worden met brandstof en beschermd moet worden tegen kapers.

Higs liefde voor de wereld is oprecht en ontroert. Maar tegelijk beseft hij dat hij nooit in leven zou blijven zonder de berekenende moordlust van zijn partner. Ze zijn twee krachten die elkaar nodig hebben: de barmhartige Hig die vanuit de lucht de zwakkeren helpt en de emotieloze Hig die beneden de grond veilig houdt.

Wilde natuur

Heller schreef als journalist over het buitenleven en kan zich in de verlaten wereld uitleven met landschapsbeschrijvingen en talloze odes aan de wilde natuur. Hij heeft echter ook genoeg te vertellen over zaken als rouw, vriendschap en geluk. Nadat Hig besluit om zijn gevoel te volgen, ontvouwt zich zowaar een liefdesverhaal.

Net zoals De Hondsster zelf lijkt dit in eerste instantie clichématig en zelfs potsierlijk, maar Heller koerst ons er totaal overtuigend doorheen, als een kalme piloot met een hang naar avontuur.

De Hondsster is deprimerend en hoopgevend, bloedstollend en kalmerend, clichématig en ontroerend. Een mooie roman om te lezen terwijl de wereld vergaat.