‘In Schubert ben je acteur én musicus’

Thomas Oliemans zingt in het Concertgebouw de drie grote liedcycli van Franz Schubert, ofwel „een zanger, een piano, en universele emoties in meesterlijke muziek”.

Oliemans: „Grote kunst is als een kathedraal: elke generatie moet verder bouwen.” Foto Merlijn Doomernik

Vorige maand nog zong bariton Thomas Oliemans (35) een opvallende rol bij De Nederlandse Opera. In Die Meistersinger von Nürnberg was hij ‘Meister’ Fritz Kothner. Hoge hoed, volle baard, zware principes; het personage sprong eruit door Oliemans grote stem en natuurlijke présence. Maar hij is ook een van de grootste Nederlandse liedzangers van zijn generatie, en in die hoedanigheid brengt hij vanaf maandag op drie avonden de liedcycli van Franz Schubert. Het is een van de hoogtepunten in de programmering van de juist steeds lichter geprogrammeerde Robeco Summer Nights in het Concertgebouw.

Voor Oliemans zijn Schuberts liedcycli kernrepertoire. Hij maakte cd’s van Winterreise (2006) en Schwanengesang (2010), maar heeft die nu niet teruggeluisterd. „Voor mijn gevoel ben ik echt opnieuw begonnen. Vooral omdat ik de cycli gelijktijdig ben gaan herinstuderen. Je ziet dwarsverbanden die je eerder niet opvielen. Het genie van Schubert zit hem in de volkomen synthese van tekst en muziek. De ideale Schubert-zanger moet half Jeroen Willems, half cellist Yo-Yo Ma zijn: een briljant acteur én een tovenaar met mooie melodieën.”

Met zijn gezin woont Oliemans sinds kort in de Amsterdamse Pijp. Zijn oudste zoontje gaat er naar school, voor zijn vrouw, dirigent Ariane Matiakh, is Schiphol vlakbij. Zelf groeide hij op in Bilthoven, waar hij als scholier ook voor het eerst belangstelling kreeg voor de liederen van Schubert.

„Ken je dat beroemde tweegesprek tussen Godfried Bomans en Wim Sonneveld in de rol van componist? ‘Mag ik u maestro noemen?’ ‘Ja, dat kunt u doen.’ (lacht hard) Toen ik door de leraar geschiedenis naar zangles was gestuurd, herkende ik daaruit Schuberts Wohin, het tweede lied van Die Schöne Müllerin. Vervolgens heb ik Edition Peters Band 1 aangeschaft, met daarin Schuberts liedcycli en zijn bekendste overige liederen. Die ben ik gaan doorlezen, -zingen en -spelen. Alsof je een bibliotheek binnengaat was het, hongerig makend. Wat me het sterkst trof was de ontdekking van een grote muzikale vorm die iets vertelt in losse, kleine deeltjes.”

Oliemans begon met het beluisteren van plaatopnames door bariton Dietrich Fischer-Dieskau, bij wie hij later ook kort zou studeren.

„Tsja, uiteindelijk komt iedereen terecht bij een van diens twaalf opnames. En je keert er ook weer bij terug. Vergelijk het met het herlezen van je lievelingsboeken, waarin je steeds andere dingen opvallen doordat je zelf bent veranderd.”

Oliemans omschrijft de cycli aarzelend als „drie volkomen verkenningen van levens waar geen volkomen einde aan zit”.

„Neem Die Schöne Müllerin. Die liederen worden vaak naïef gebracht, maar voor mij gaan ze over een sterke, onbevangen jongen die een grote liefde ontmoet en aan het mislukken daarvan kapotgaat. Iemand die de puberteit niet doorkomt. Sommige tenoren zingen dat dan als een op voorhand geknakte asperge, maar hen geloof ik niet. Schubert geloof ik wél. Het is een van de cruciale en schokkendste dingen van ouder worden dat je ontdekt dat het niet met iedereen goed afloopt.

„In Die Schöne Müllerin wordt dat allemaal anekdotisch beschreven, in Winterreise kunnen we alleen reconstrueren wat er is gebeurd. Ook deze ik-figuur probeert met het verlies van zijn geliefde in het reine te komen, maar wordt door omstandigheden steeds dieper de ellende in gezogen. Een lied als Gefrorne Tränen wordt dan vaak met een dikke pruillip gezongen, maar ik denk dat die jongen eerder verbaasd vaststelt dat er iets kouds op zijn wang zit. Hé, het is een traan! Hoe het afloopt, weet ik ook niet. In elk geval niet met het gebruikelijke scenario van vrouw en kind. Maar dat kun je, net als het slotwoord van het beekje in Die Schöne Müllerin, ook positief uitleggen: het hoeft niet met ons allemaal zo af te lopen als met hem.”

Naar zijn gevoel, zegt Oliemans, is zijn interpretatie nu totaal anders dan drie jaar geleden. „Maar misschien is dat ook wel onzin, ik ga het niet controleren. Het voornaamste is dat je de stukken open tegemoet blijft treden. Toen ik een tijdje in Straatsburg woonde, keek ik uit op de kathedraal. Zo’n enorm bouwwerk, waar generaties aan bouwen omdat het belangrijk is dat iedereen het ziet; dat zette me aan het denken. Precies zo moet je ook omgaan met grote kunst, denk ik. Haar blijven brengen, en niet willen ‘actualiseren’. Je zet een renpaard toch ook geen konijnenoren op om hem te verkopen? Grote kunst is tijdloos, wij dateren. Schubert is: zanger, piano, universele emoties. Daar is niks ouderwets en niks ‘moeilijks’ aan.”

Thomas Oliemans (bariton) en Malcolm Martineau (piano). Schubert-recitals op 8, 15, 17/7. Inl: www. concertgebouw.nl