In Den Haag zijn ze nu echt doodop

Het politieke seizoen zit erop Veel politici zijn hard toe aan vakantie Maar de zwaarste klussen komen nog voor dit kabinet, na de zomer

Politiek redacteur

Uitgeput, verward en chagrijnig, zo kan de gemoedstoestand van veel Haagse politici in deze laatste week voor de zomer worden samengevat.

De eindeloze en vaak vruchteloze overlegrondes tussen kabinet en oppositie en sociale partners; de noodzaak het financiële beleid steeds weer aan te passen omdat de economische groei tegenvalt; akkoorden die wel en dan weer niet worden gesloten; de totale onvoorspelbaarheid van het politieke proces dat daaruit voortvloeit.

Iedereen heeft er even genoeg van.

En het echte werk komt nog. Dit najaar moet het kabinet cruciale wetsvoorstellen door de Eerste Kamer loodsen, waar het geen meerderheid heeft. Het moet een aanvullend bezuinigingspakket uitonderhandelen, wat tussen VVD en PvdA tot spanning zal leiden, maar ook de relatie met werkgevers en werknemers zal belasten. Tegelijk probeert de coalitie pensioenfondsen – bestuurd door die werkgevers en werknemers – te verleiden in de bouw te investeren, om zo de economie een impuls te geven.

Coalitiepartijen VVD en PvdA stralen uit dat de zaak onder controle is, en dat zij politieke en maatschappelijke weerstand tegen de gekozen bezuinigingen en hervormingen kunnen overwinnen. Oppositiepartijen intussen doen laatdunkend over de effectiviteit van het kabinet, en pretenderen wél onfeilbare ideeën te hebben om economie en verzorgingsstaat te redden. Het zijn ongeloofwaardige posities.

Fundamentele problemen

Want ondanks het getoonde optimisme heeft het kabinet een aantal fundamentele problemen. De relatie met de door de coalitie zelf onmisbaar gemaakte sociale partners staat onder druk. De coalitietop ergert zich aan werkgeversvoorzitter Bernard Wientjes, die met allerlei „wilde” plannen komt om lastenverzwaringen te vermijden. Omgekeerd zijn de werkgevers niet te spreken over VVD-leider Mark Rutte en PvdA-leider Diederik Samsom, die zij overmoed en een gebrek aan politiek inzicht verwijten.

Bij sommige PvdA’ers en VVD’ers daagt het besef dat het een fout was sociale partners en de oppositie zo belangrijk te maken. Natuurlijk, feitelijk heeft het kabinet oppositiepartijen nodig. Maar door daar zelf op te hameren hebben ze hun politieke tegenstanders een te grote machtspositie gegeven.

En daar komt nog iets anders bij: het steeds zoeken van gelegenheidscoalities voelt mediageniek, dynamisch en erg democratisch. Soms gaat het goed. Grote hervormingen op de arbeidsmarkt, woningmarkt en in de zorg werden zo vastgelegd.

Soms is saai noodzakelijk

Maar uiteindelijk kan behoorlijk bestuur niet zonder ordentelijk proces, al is het saai. Bij coalitie én oppositie groeit het gevoel dat al die verschillende onderhandelingsfora, die ook nog door elkaar heenlopen, niet meer werken. We weten soms niet met wie we eigenlijk waarover aan het praten zijn, zeggen mensen bij coalitie én oppositie. De meeste bewindspersonen hebben er genoeg van, ook omdat zij een publieke nederlaag lijden telkens als een onderhandelingsronde op niets uitloopt.

We zijn net een stelletje ADHD’ers, zegt een oppositielid: „Bij elk nieuw cijfer, elke nieuwe economische raming, maken we elkaar gek.”

Het kabinet zit zo gevangen in de volgende paradox: in een poging maatschappelijke rust te creëren zoekt het brede steun voor zijn ingrijpende bezuinigingen. Maar het effect is omgekeerd. Omdat de brede steun niet ontstaat, vergroot de continue zoektocht naar nieuwe compromissen en gelegenheidscoalities juist de onzekerheid die VVD en PvdA willen wegnemen.

En toch is het moeilijk voor te stellen dat de oppositiepartijen het beter hadden kunnen doen. Miljardenbezuinigingen bieden geen gemakkelijke uitweg.

Sommigen zeggen nu dat VVD en PvdA er tijdens de formatie coalitiepartners bij hadden moeten zoeken om zich van een meerderheid in de Eerste Kamer te verzekeren – dat ze dat toen niet deden wordt overmoedig of dom genoemd. Maar alle partijen die nu als extra coalitiepartner worden genoemd, wilden en willen geen regeringsverantwoordelijkheid dragen.

De worsteling van het kabinet wordt op de kantoren van de oppositie niet alleen met plezier gadegeslagen. Want, zoals daar iemand zegt: „In het land maken ze geen onderscheid tussen oppositie en coalitie, daar zeggen de mensen gewoon dat ‘die politici er weer een zooitje van maken’.” Een ander oppositielid verwelkomt daarom het zomerreces: „Als we allemaal drie maanden onze mond zouden houden, dan zou het echt veel beter zijn voor Nederland.”