‘Ik giet mijn demonen in verhalen’

Nir Baram geldt als het grootste nieuwe literaire talent van Israël. In zijn roman Goede mensen laat hij zien hoe aardige, jonge mensen een terreurregime dienen. In aflevering 1 van een serie zomerinterviews vertelt hij waarom: „Ook mijn eigen generatie doet het zo.”

Nir Baram: ‘Mijn vrienden in Israël zijn grote fans van de amorele Thomas.’ Foto Bram Budel
‘D

on Delillo en Thomas Pynchon zijn mijn grote helden”, zegt Nir Baram, gevraagd naar zijn literaire leermeesters. „In hun boeken heerst een permanente staat van paranoia.”

De jonge Israëlische schrijver is even terug in Amsterdam, waar hij een jaar geleden een paar maanden als writer in residence boven boekhandel Athenaeum woonde. Tijdens dat verblijf werd zijn roman Goede mensen alom met lof ontvangen. Dat succes heeft misschien nog wel meer indruk op hem gemaakt dan het enthousiaste onthaal van zijn boek in Duitsland, omdat ze daar nu eenmaal verzot zijn op schrijvers die genadeloos laten zien wat er in hun land in de nazitijd is gebeurd. „Alles is daar gekoppeld aan goed en fout.”

Goede mensen speelt zich af tussen 1938 en 1941 in Duitsland en de Sovjet-Unie, en gaat over twee jonge mensen, Thomas Heisenberg, een ambitieuze marketeer die als medewerker van het naziministerie van Buitenlandse Zaken bij de uitroeiing van de Joden betrokken raakt, en de Russisch-Joodse Aleksandra – Sasja – Vasjberg, die in Leningrad als informante voor Stalins geheime politie NKVD werkt. Beiden laten zich meesleuren door de terreursystemen van hun tijd, de een uit carrièrezucht, de ander uit wraak op haar overspelige vader en zijn apathische vriendenkring.

Baram heeft zich voor Goede mensen zo goed gedocumenteerd dat zijn stijl lijkt op die van Duitse en Russische schrijvers uit de jaren dertig en veertig. „Hoe een sovjetburger in die tijd sprak en wat hij daarbij verzweeg, is deel van mijn natuur geworden”, zegt hij daarover.

Hoe kwam u op het idee voor uw boek?

„Ik las een boek over marketing en reclame in de Weimarrepubliek en begon op een nacht te schrijven. Ineens doemde Thomas voor me op tijdens de Kristallnacht. En zo kreeg hij vorm als een onderdeel van de op Amerikaanse leest geschoeide marketingmaatschappij, die Hitler-Duitsland in de praktijk was. Het werd een avontuur dat me overal naartoe bracht.”

Thomas en Sasja ontkennen de verantwoordelijkheid voor hun daden, alsof ze geen enkele moraal kennen. Hoe kan dat?

„Ik probeer de demonen die in mijn hoofd rondspoken in een verhaal te gieten. Wat ik schrijf, is de duivelse kant van mijn eigen karakter. Thomas is geen vriend van me, maar sommige van zijn kwaliteiten kan ik waarderen. Mijn vrienden en leeftijdgenoten in Israël zijn grote fans van hem. De generatie van mijn ouders heeft daarentegen meer met Sasja, die zich voortdurend schuldig voelt.”

Wat voor een soort mens is Thomas?

„Hij is geen nazi à la Eichmann, maar meer een modern mens die alleen maar bezig is met zijn eigen succes en geen verantwoordelijkheid voor zijn daden wil nemen. Als hij tijdens de Kristallnacht in Berlijn op straat loopt, wil hij niet zien wat er aan de hand is. Zijn Joodse psychiater wil hij daarentegen beschermen zolang het kan en zijn carrière niet in gevaar komt. Maar zodra hij ontdekt dat ze in een concentratiekamp zit, beseft hij dat ze eraan gaat en vergeet hij haar. Ook als Thomas vanuit het raam van zijn huis in Polen Joden door de straat ziet lopen, die naar de gaskamer worden afgevoerd, kijkt hij weg en sluit de gordijnen.”

Waarom zit hij zo in elkaar?

„Ik had makkelijk een banale nazi van hem kunnen maken. Maar ik heb dat niet gedaan, omdat ik wilde laten zien dat hij de moderne mens vertegenwoordigt – hij is zeer ambitieus, apolitiek, alleen toegewijd aan zijn eigen plan. Hij lijkt daarin op de jonge carrièremakers van onze tijd. Tegelijkertijd zoekt hij de grenzen van zijn kunnen op en neemt hij risico’s om zijn plannen te realiseren. Hij gelooft niet in het naziregime, maar alleen in wat hij de wereld te bieden heeft. Dat maakt hem gecompliceerder dan een bankier die alleen maar geld wil verdienen.”

Hij is behoorlijk kil en onverschillig.

„Thomas geeft niet zoveel om het lot van de Joden, maar hij is ook niet bezig met de nazi’s. Hij doet niet mee aan de Kristallnacht – hij is niet tegen, maar gruwt er ook niet van. Wel wil hij dat het geweld zo snel mogelijk achter de rug is, zodat hij verder kan werken aan zijn plan voor de marketing van Duitsland. In die mentaliteit zit mijn hele boek vervat.”

En Sasja, wat is zij voor een vrouw?

„Russische Joden zijn maximalisten, dat zie ik in Israël dagelijks om me heen. Sasja is net zo. Wanneer ze voor de keuze wordt gesteld om bij de NKVD te gaan werken of te worden gedood, kiest ze voor het eerste en maakt ze een enorme carrière. Aan de hand van haar personage wil ik laten zien dat onder het communisme veel Joden bij de NKVD zaten. Ze voerden het ideaal van het socialisme uit, waarin een einde moest komen aan zowel het stigmatiseren van Joden als aan het antisemitisme. Die keuze is dus begrijpelijk.”

Sommige van uw Nederlandse lezers zijn verontwaardigd over dat gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel bij zowel Thomas als Sasja. Kunt u dat begrijpen?

„Nee, absoluut niet. De dingen gaan juist vaak zo als ik ze heb beschreven. Mensen kunnen zich nu eenmaal heel goed afwenden van dat wat ze niet willen weten.”

Begrijpt u die verontwaardiging?

„Aan het slot van het boek, dat zich in Brest-Litovsk afspeelt, realiseert Thomas zich eindelijk waar hij mee bezig is. Maar van schuld- of verantwoordelijkheidsgevoel is nog altijd geen sprake. Wel beseft hij nu dat wat hij voor het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft gedaan mislukt is. Daarmee wilde ik benadrukken dat hij geen moreel personage is.”

Hoe reageerden uw Duitse lezers?

„In Duitsland was het veel gecompliceerder om over mijn boek te praten dan in Nederland. Duitse lezers hadden vooral moeite met Thomas’ complexe karakter en met wat ik over hun land schreef. Ze konden mijn boek alleen lezen met de bril van de Tweede Wereldoorlog op.

„Nazi’s en hun aanhangers worden in romans meestal met de bekende clichés neergezet: als fetisjisten, gehersenspoelde fanatici of krankzinnigen. Mijn boek speelt zich op een ander niveau af, omdat ik andere vragen wil stellen over nazi’s. Daarom is Thomas geen devote nazi en gelooft hij niet in hun ideologie.

„Bovendien is het een zonde om te denken dat een historische roman alleen maar over vroeger gaat. Zo’n boek is alleen maar interessant als je tijdens het lezen het gevoel krijgt dat je in het heden én het verleden verkeert. Dat Thomas ook iets zegt over onze tijd, begrepen ze in Duitsland niet. De Tweede Wereldoorlog is daar een onderwerp op zichzelf, met eigen regels en grenzen.”

Is Thomas’ gedrag universeel?

„Ja. De nazi’s en de sovjets gaven mensen die niet eerder kansen hadden de mogelijkheid om belangrijk te worden. Tot die tijd was dat alleen voorbehouden aan hen die uit de juiste families kwamen en over de juiste connecties beschikten. Als beloning eisten die regimes loyaliteit – dat betekent niet dat je in een ideologie moest geloven, maar dat je er loyaal aan moest zijn. Het was een perfecte deal: jij geeft je talenten aan een regime en dat regime biedt jou de kans te schitteren. Toen ik Albert Speers autobiografie las, begreep ik dat hij niet in de nazi-ideologie geloofde, maar wel een groot architect wilde zijn en die ambitie kon realiseren dankzij de nazibureaucratie. Hij verschilt daarin van een Eichmann, die gehersenspoeld was en niet meer kritisch over zichzelf of het naziregime kon denken. Eichmann is absoluut ongeschikt als literair personage.”

Thomas blijft een buitenstaander, niet alleen bij de nazi’s, maar ook op het ministerie van Buitenlandse Zaken.

„Het is essentieel dat hij nergens deel van uitmaakt. Op het ministerie – waar veel telgen uit deftige families werkten, die beweerden geen nazi te zijn en alleen probeerden te redden wat er te redden viel – zien ze heel goed in dat hij niet een van hen is. Zijn baas, de chique diplomaat Weller, ergert zich aan Thomas’ gebrek aan emoties. Tegelijkertijd vindt hij Thomas, die niet van deftige komaf is, interessant en weet hij dat hij alles met hem kan doen.”

De ‘Duitse’ hoofdstukken in uw roman zijn veel zakelijker geschreven dan de ‘Russische’ hoofdstukken. Waarom?

„Ik wilde de zinnen in de Duitse delen korter laten klinken dan in de Russische, alsof er met een mes in je vel wordt gesneden. In de Russische delen wordt met dat mes alleen maar wat gekrabt. Thomas is tot op een zekere hoogte een grappig iemand, die zich nooit schuldig voelt en maar aan het schipperen is. Sasja voelt zich daarentegen voortdurend schuldig, is reflexief en intellectueel. Daarom kan Thomas tijdens de Kristallnacht in Berlijn rondlopen zonder iets te zien, terwijl Sasja alles ziet wat er gebeurt – zij is waarnemer.”

De meeste Duitsers hebben minder op hun geweten dan Thomas en zouden zichzelf nooit in gevaar hebben gebracht, zoals hij aan het eind van uw boek doet. Wat zegt dat over hem?

„Dat hij geen slappeling is. Dat maakt hem alleen maar menselijker. Ik wilde een personage scheppen dat je aan het einde van het boek verontrust achterlaat. Thomas is knap, intelligent, heeft een vlotte babbel, maar heeft ook moeite om emoties van andere mensen te begrijpen. Daarin faalt hij ook op het ministerie van Buitenlandse Zaken doordat hij verkeerd reageert op de emoties van zijn superieuren.”

Behalve op het eind komt er heel weinig geweld in uw boek voor. Is dat opzet?

„Ik wilde schrijven over mensen die op kantoor zaten, naar conferenties gingen, in modieuze restaurants aten. Ik wilde ze afsluiten van het geweld waarvoor ze verantwoordelijk waren. Die kloof is belangrijk bij genocide, die altijd door een kleine groep mensen wordt uitgevoerd, terwijl de bedenkers achter hun bureaus zitten.

„In een wetenschappelijk artikel over de redenen om op Hitler te stemmen stond diens anti-Joodse politiek pas op de vijftiende plaats. Het is dus verkeerd te denken dat alle nazi’s permanent met de Joden bezig waren. Thomas organiseert de deportatie van de Joden van Lublin alleen maar omdat hij wil terugkeren naar het ministerie, waar hij kort daarvoor is weggestuurd, omdat hij fouten heeft gemaakt. En juist op dat ministerie deden ze alsof ze voortdurend bezig waren om erger te voorkomen en bij de nazi’s te pleiten voor een beschaafder optreden. Thomas stelt zich net zo op. Als dankzij een marketingplan van zijn hand alle Poolse archeologen worden uitgeroeid en hij beseft dat hij daar verantwoordelijk voor is, neemt hij geen ontslag, omdat ook hij zichzelf blijft wijsmaken dat hij dit gedaan heeft om erger te voorkomen.”

Is dat de link met de moderne bankiers?

„Tijdens het schrijven vond ik het juist zo interessant dat professionals in bepaalde waarden geloven, maar bij het uitoefenen van hun beroep ingaan tegen hun persoonlijke opvattingen omdat ze eenmaal in een bepaalde organisatie zitten. Dat zie je in nazi-Duitsland: onder een totalitair regime kun je je mening niet uiten, maar slechts loyaal zijn aan het regime.

„Die scheiding tussen de praktijk en de politieke ethiek is ook belangrijk voor mijn generatie. Zo heb ik een vriend die heel links is, maar wel voor de regering van Netanyahu werkt. Ook hij zegt: ‘Ik neem geen ontslag, want ik ben een professional.’ En daarin lijkt hij helemaal op Thomas.”

Nir Baram: Goede Mensen. Vertaald uit het Hebreeuws door Hilde Pach. De Bezige Bij, 608 blz. € 23,90