Het ballet van straten

Wereldwijd verhuizen iedere dag 180.000 mensen naar steden. Het bracht architectuurjournalist Leo Hollis ertoe om oude en nieuwe steden overal ter wereld te bezoeken en hun fascinerende ontwikkeling te schetsen.

Albert Speer heeft het druk in China. De zoon van Hitlers gelijknamige hofarchitect heeft een omvangrijk Chinees oeuvre opgebouwd. Zo werd een paar jaar geleden het eerste deel van Speers stadje Anting bij Shanghai opgeleverd. De Chinese opdrachtgevers wilden een gemütliches Duits stadje, met kleurrijke vakwerkhuizen en met kinderhoofdjes bestrate pleinen. Maar Albert Speer jr. (1934) wist de Chinezen ervan te overtuigen dat moderne Duitse steden heel anders zijn.

En dus kreeg Anting het aanzien van een middelgrote Duitse stad die in de Tweede Wereldoorlog is gebombardeerd en op zakelijke wijze heropgebouwd. De meeste appartementencomplexen hebben strakke gevels gekregen, met pleisterwerk in verschillende kleuren. Op een plein staat een kopie van het bronzen beeld van Goethe en Schiller in Weimar. Maar dit bleek niet genoeg om de Chinezen te bekoren. Anting is een spookstad, vol lege huizen, stelde een journalist van Der Spiegel twee jaar geleden vast.

Anting is een van de negen stadjes die onder de naam One City, Nine Towns bij Shanghai uit de grond zijn gestampt, schrijft de Britse architectuurjournalist Leo Hollis (1972) in Cities Are Good for You, een duizelingwekkende rondtocht langs oude en nieuwe steden in de hele wereld. De negen stadjes zijn allemaal Europees. Het Nederlandse, Holland Village, bestaat natuurlijk grotendeels uit grachtenhuizen, het Engelse Thames Town is in neo-Tudorstijl, de stijl waarin ook Hollis’ eigen huis een eeuw geleden in Londen werd gebouwd.

Hollis woont in een voorstad waar de bewoners uit verschillende landen komen. ‘De huizen in mijn straat zijn ondanks de architectonische uniformiteit een tehuis voor de wereld’, schrijft hij. ‘Gezinnen komen en gaan, sommige bewoners sterven, nieuwe huurders komen en we hebben langzaam een manier gevonden om met elkaar te leven, een gedragscode die niet al te sterke onderlinge banden, een buurtgevoel en zeker onderling vertrouwen omvat.’ Maar hoewel zijn straat op Thames Town lijkt, betwijfelt hij of de Chinese bewoners van de spookstad een soortgelijk ‘ballet van straten’ zullen dansen. Daarvoor is het door projectontwikkelaars verzonnen Thames Town vermoedelijk te kunstmatig en te steriel.

Voordat Hollis, die eerder onder meer The Stones of London schreef, zijn eigen neo-Tudorstraat vergelijkt met die in China, heeft hij de lezer meegenomen op een tocht langs steden in de hele wereld. Hij loopt op de High Line, het New-Yorkse nieuwe park dat is aangelegd op een oud, in onbruik geraakt luchtspoor in Manhattan en vraagt zich af hoe het komt dat hier zo veel stadsbewoners én toeristen rondkuieren. Hij bezoekt Bangalore, de high tech-stad die is uitgegroeid tot het Silicon Valley van India. Hij ontdekt dat dit geen toeval is: al in de jaren vijftig wees de Indiase regering Bangalore als ‘stad van de toekomst’ aan en kreeg het vier universiteiten en 47 technische hogescholen. In Marseille, de eerste Franse stad met een islamitische meerderheid, is hij getuige van het ontstaan van een nieuwe cultuur, ‘niet Afrika in Frankrijk maar iets ertussenin.’ Hij wandelt door de straten van Mumbai, de dichtstbebouwde stad ter wereld, en ziet hier Anthilla, het huis van 27 verdiepingen van de Indiase zakenman Anil Ambani dat 1 miljard dollar heeft gekost. Maar ook gaat hij er naar Dharavi, met 1 miljoen inwoners de grootste sloppenwijk ter wereld, en stelt vast dat ondanks de armoede veel nieuwkomers in Mumbai daar werk vinden in de honderden bedrijfjes die verscholen liggen tussen de hutten.

Van Dharavi stapt Hollis over op de sloppen van het 19de-eeuwse Londen waar Britse plattelanders toen naartoe trokken. Vervolgens steekt hij weer de Atlantische Oceaan over, naar Manhattan, waar in de Lower East Side aan het eind van de negentiende eeuw 1,2 miljoen immigranten woonden in 37.000 huizen, meer dan 30 per woning. Eerder heeft Hollis dan al een uitstapje gemaakt naar het 17de-eeuwse Amsterdam, dat voor hem het toonbeeld is van een ‘creatieve stad.’ Hier leidde de samenkomst van veel verschillende mensen van over de hele wereld tot een ongekende bloei van bedrijvigheid, cultuur en wetenschap. Het mengsel van verschillende nationaliteiten, geloven en gewoontes zorgde voor een ‘sociale complexiteit’ die van een stad een ‘krachtige machine van goede ideeën maakte’.

Tussen zijn reizen in heden en verleden door behandelt Hollis ook nog vele historische figuren die belangrijk zijn geweest voor de stedenbouw. Zoals Elisha Otis, de ondernemer die op een Wereldtentoonstelling in New York in 1853 zijn veiligheidslift presenteerde. Staand op een hangend plateau tien meter boven de grond sneed hij de liftkabel door, maar stortte niet naar beneden. ‘All safe, gentlemen, all safe’, zei hij tegen het geschrokken publiek. De veiligheidslift van Otis maakte de wolkenkrabber mogelijk en veranderde zo het aanzien van veel steden.

Ook de drie grondleggers van de 20ste-eeuwse stedenbouw, Ebenezer Howard, Patrick Geddes en Le Corbusier, hebben korte biografieën gekregen. Vooral voor Le Corbusier, de ‘invloedrijkste architect van de 20ste eeuw’, heeft Hollis geen goed woord over. Zijn visioen van de ‘functionele stad’, waar bedrijvigheid, ontspanning en wonen elk hun eigen plek kregen, was het tegendeel van complexiteit die leidt tot ‘creativiteit, goede ideeën en uitvindingen.’ ‘Le Corbusier zag de stad als een machine die de mens beschermde tegen onvoorspelbaarheid’, schrijft hij.

Alsof dit allemaal niet genoeg is, heeft Hollis zijn verhalen gelardeerd met veel statistische gegevens. Natuurlijk citeert hij het rapport van de Verenigde Naties uit 2007 dat in geen hedendaags boek over de stad ontbreekt: meer dan de helft van de wereldbevolking woont nu in steden en in 2050 zal dit driekwart zijn. Elke dag trekken, wereldwijd, 180.000 mensen naar steden. Alleen al in China vestigen zich de komende twintig jaar 350 miljoen mensen in steden als Shanghai en Shenzen.

‘We zijn een stedelijke soort geworden’, schrijft Hollis. En dat is maar goed ook, vindt hij, want het leven in steden is niet alleen creatiever maar ook duurzamer dan op het platteland. Hoe dichter bebouwd de stad is, hoe minder energie de bewoners bijvoorbeeld gebruiken. De stad wordt misschien wel de redding van de wereld: aangezien er nog veel te winnen valt in de duurzame stedenbouw, is de dichtbebouwde stad de enige mogelijkheid om de profetieën over rampzalige energietekorten en uitstoot over CO2 niet uit te laten komen.

Ook allerlei onderzoeken naar het menselijke gedrag in steden hebben een plaats gekregen in Cities Are God for You. Zo blijken de bewoners van rijke steden sneller te lopen dan in minder rijke steden. En bewoners van welvarende, homogene buurten zijn veel onvriendelijker en onbeleefder dan die van arme wijken met veel diversiteit. Bladzijdenlang legt hij de uitkomsten uit van de jarenlange onderzoeken naar complexiteit van de theoretisch natuurkundige Geoffrey West. Ze komen erop neer dat hoe groter, dichter bebouwd en complexer een stad is, des te productiever, creatiever en rijker die is.

Soms wil Hollis in Cities are Good for You te veel. Niet alleen springt hij van de hak op de tak, maar ook stelt hij voortdurend vragen die hij niet allemaal beantwoordt. Heeft de vorm van een stad invloed op ons gedrag, vraagt hij zich bijvoorbeeld af, kan een goed ontworpen buurt een gevoel van gemeenschap bevorderen? Vervolgens legt hij uit dat het de twintigste-eeuwse stedenbouwers in ieder geval niet is gelukt. Stedenbouwers veranderden filosofie in steen, ze wilden nieuwe, rationele steden, en deden rommelige straten in de ban. ‘De geschiedenis laat zien dat dit vaker tot mislukkingen dan tot successen leidde’, schrijft Hollis. Maar of een goede, ‘complexe’ straat kan worden ontworpen, laat hij uiteindelijk in het midden.

Toch heeft Cities are Good for You ondanks de lawine van reportages, beschouwingen, observaties, verhalen en cijfers een duidelijke rode draad: Jane Jacobs. Het is alsof Hollis bij het schrijven steeds dacht aan wat de New Yorkse journaliste en buurtactiviste Jacobs (1916-2006) ervan zou vinden. Vele malen duikt haar naam op en hij beschrijft ook uitvoerig hoe Jacobs in de jaren zestig met succes streed tegen de plannen van de New Yorkse stedenbouwer Robert Moses om een deel van haar buurt, Greenwich Village in Manhattan, af te breken voor de Lower Manhattan Expressway, een snelweg die dwars over Washington Square zou lopen.

Al voor ze de strijd met Moses aanging had Jacobs in The Death and Life of Great American Cities (1961) uitgelegd waarom de aanleg van snelwegen en stadsvernieuwing van torens in het groen zou resulteren in een desolaat Manhattan. Moses en andere modernistische stedenbouwers vonden traditionele straten verfoeilijk, omdat ze een optimale bezonning van alle woningen verhinderen. Maar mensen houden juist van drukke straten met winkels, restaurants en cafés, stelde Jacobs. Voor modernisten is de ‘open ruimte’ een panacee voor alle stedelijke kwalen, legde ze uit, maar in praktijk leiden ze vaak tot ellende: juist in parken gebeuren de afschuwelijkste dingen. Kinderen kunnen beter op straat spelen, omdat daar vele ogen – van winkeliers, bewoners en voorbijgangers – ze in de gaten houden.

The Death and Life of Great American Cities is een empirisch boek. Voor Jacobs was niet het gewenste gedrag van bewoners het uitgangspunt, maar het straatleven dat ze dagelijks om zich heen zag. Hollis volgt haar hierin: steeds weer hamert hij op het belang van ‘complexe’ straten, waar verschillende bewoners, jong en oud, alleenstaanden en gezinnen en liefst ook rijk en arm, bij elkaar wonen. En steeds onderstreept hij dat goede buurten alleen ontstaan in samenwerking met bewoners zelf: blauwdruksteden als Speers Anting bij Shanghai worden moeilijk goede, creatieve steden.

Aan het eind van zijn boek gaat Hollis op bedevaart naar Hudson Street, de straat waar Jane Jacobs woonde voor ze eind jaren zestig naar Toronto verhuisde. Hudson Street is nog steeds een prettige stadstraat, ziet hij, en het naburige Washington Square het levendige hart van Greenwich Village. Toch was Jacobs in haar laatste boek, Dark Ages Ahead (2004), pessimistisch over de toekomst van de stad, schrijft hij. Door het neoliberalisme en de allesoverheersende marktwerking komt het hele leven, van werk en onderwijs tot cultuur en gezinsleven, in het teken te staan van winstbejag. Dit betekent uiteindelijk ook het einde van de verschillende gemeenschappen die het fundament van de steden zijn.

Maar hierin volgt Hollis Jacobs niet. Op de laatste – en minst overtuigende – bladzijden van Cities Are Good for You belijdt hij wat al te jubelend zijn geloof in de toekomst van de stad. Heel voorzichtig wensdenkt hij zelfs het einde van het neoliberale tijdperk. Marktwerking is niet de oplossing voor steden, schrijft hij: sloppenwijken als die in Mumbai verdwijnen bijvoorbeeld niet door ze te onderwerpen aan de markt, maar door oplossingen die van de sloppenwijkbewoners zelf komen. ‘Er zijn goede redenen om hoopvol te zijn’, schrijft hij als een Jane Jacobs van vijftig jaar geleden. ‘Die hoop komt voort uit de keuze om niet over de gebouwen van de stad te denken, maar over de mensen en over hoe ze leven, werken en spelen.’