Column

Halbe Zijlstra heeft gelijk met zijn kritiek op het parlement

Het is een gedachte die zich de laatste tijd steeds sterker aan mij opdringt. Ik zou weleens een parlementair onderzoek willen zien naar het functioneren van het parlement.

Ze mogen dan misschien wel onze gekozen volksvertegenwoordigers zijn en daarmee het hoogste politieke orgaan van het land, maar dat is nog geen reden om zich zo arrogant op te stellen. Als er iets misgaat, zoals nu met de Fyra, schreeuwen ze moord en brand en willen ze iedereen onder ede horen om de onderste steen boven te krijgen en iedereen die ze maar kunnen vinden de schuld in de schoenen te schuiven van het debacle, maar niemand heeft het erover dat ze er zelf al die jaren lang naar hebben zitten te kijken zonder een hand uit te steken. Ze willen hun controlerende rol met veel bombarie vervullen, maar doen dat pas achteraf, als het al te laat is, zonder zich er ook maar een moment rekenschap van te geven dat ze zelf al die jaren in hun controlerende rol tekort zijn geschoten.

Afgelopen woensdag stond er een interessant opiniestuk van de VVD-fractievoorzitter Halbe Zijlstra in de Volkskrant. Terwijl hij er niet voor terugdeinsde om de hand ook in eigen boezem te steken, plaatste hij een paar prangende vraagtekens bij het functioneren van de Tweede Kamer. Zijn belangrijkste punt van kritiek was dat de Kamerleden totaal zijn doorgeschoten in hun neiging om zichtbaar te zijn en punten te scoren in de media. De machtsmiddelen van het parlement worden in toenemende mate oneigenlijk gebruikt, waardoor ze al hun kracht verliezen. Vroeger stelde een motie echt iets voor. Het was een wijziging van beleid. Maar zo is het al lang niet meer. Er zijn eenvoudigweg te veel moties. Deze week nog moest er over niet minder dan vijfhonderd moties worden gestemd.

En uit frustratie over hun toenemende onmacht proberen de Kamerleden zichzelf steeds meer bevoegdheden toe te delen die ze vervolgens ook weer op een oneigenlijke manier zullen inzetten. Er wordt een onderzoek ingesteld naar de mogelijkheid ook buiten de context van een parlementair onderzoek mensen onder ede te kunnen horen. Is het dan echt zo’n groot probleem dat mensen tijdens hoorzittingen zitten te liegen? Het probleem lijkt mij eerder dat de parlementariërs niet in staat zijn de juiste conclusies te trekken uit de informatie die hen wordt verstrekt. Er wordt tegelijkertijd verkend of het mogelijk is om nieuwe ministers in het openbaar te horen vóór hun beëdiging. Denken ze nou echt dat een kandidaat-minister in de openbaarheid van de Kamer dingen gaat opbiechten die hij tijdens zijn vertrouwelijke gesprek met de formateur heeft verzwegen? Het klinkt allemaal lekker democratisch, maar het zijn schaamlapjes voor hun eigen onvermogen.

Ilja Leonard Pfeijffer is schrijver en columnist van nrc.next. Elke vrijdag schrijft hij op deze plek over politiek