'Goed gedrag is altijd zinloos'

Door met de trein te reizen in Italië leerde de Britse schrijver Tim Parks de grillen en emoties van zijn tweede vaderland pas goed kennen.

Voor Britten bestaan er twee spoorwegen. De eerste is die uit het dagelijks gebruik, waar ze trots op willen zijn, maar die hen meestal ergert. De tweede is de spoorweg van hun dromen. De Oriënt Express. Een stoomtreintje dat puffend om een bocht verschijnt. Brief Encounter (1945), de film die op een station speelt en begint met het kolenstofje dat Trevor Howard uit Celia Johnsons oog wipt. Onze echte en de romantische spoorweg vallen nooit samen, heeft de Britse schrijver Ian Marchant gezegd. ‘Ze raken elkaar slechts in een imaginair punt achter de horizon, als parallelle lijnen.’

De Britten hebben een dubbelzinnige relatie met het spoor, zegt Tim Parks hem na. „Maar geldt dat niet een beetje voor ons allemaal?” Parks (1954), een Britse schrijver van romans en non-fictieboeken die al dertig jaar in Italië woont, is even in Nederland, waar de vertaling van zijn boek Italian Ways; On and off the Rails from Milan to Palermo net is verschenen onder de (matig gelukte) titel Italië op het spoor; Een hilarisch portret van een land in beweging. Parks’ boek gaat slechts gedeeltelijk over de eerste en helemaal niet over die tweede spoorweg. „Hoe treinen werken interesseert me niet en met spoorwegnostalgie heb ik totaal niets”, zegt hij. Zijn spoorweg is een derde variant: de lens waardoor hij naar zijn tweede vaderland leerde kijken.

„Italië is een land voor ingewijden”, zegt hij, en de spoorwegen wijdden hem in. „Ik was niet op zoek naar een scherp gedefinieerd nationaal karakter, maar naar wat je ‘het nationale spel’ kunt noemen, de manier waarop ‘de dingen zich ontvouwen’. Ik ontdekte geleidelijk dat de trein daarvan het zinnebeeld was.”

Zijn boek ontstond uit een artikel voor het tijdschrift Granta over de ‘trein van de levende doden’, de reis van 150 kilometer die hij dagelijks aflegde tussen zijn woonplaats Verona en Milaan, waar hij literatuur doceert. Voor dag en dauw op, en terug in de late avond. „Forenzen over zulke afstanden is heel gewoon voor Italianen”, zegt hij. Maar voor hem betekende het, behalve slaapgebrek, een worsteling met de bureaucratie en de onnavolgbare regels en gewoontes op stations en in treinen. Met de pietje-precies achter het loket en de furbo, de voordringer, die iedereen gelaten zijn gang laat gaan.

‘Het is’, schrijft Parks over de furbo, ‘alsof de mensen die zich keurig hebben gedragen er een grimmig plezier in hebben bevestigd te worden in wat ze al wisten: dat goed gedrag altijd zinloos is, en eerder een soort martelaarschap. Dat is een belangrijke Italiaanse emotie: ik gedraag me keurig en daardoor moet ik lijden. Mi sto sacrifando. Het is een gevoel waarmee je minder keurig gedrag van jezelf kunt rechtvaardigen, mocht dat zo uitkomen.’

Waarna het slechts een kleine stap is naar de glimlach van Berlusconi – ‘half superieur, half slachtoffer’, die volgens Parks de ‘paradox van de Italiaanse mentaliteit’ tekent: we voelen ons beter dan al die andere landen die niets snappen van stijl en het goede leven, maar tegelijkertijd voelen we ons tekortgedaan.

Een grote bijrol in zijn boek speelt de capotreno, het geüniformeerde ‘hoofd der trein’, bekleed met universele en grillige macht. Daarmee komt Parks een paar keer in botsing, bijvoorbeeld als hij (tevergeefs) probeert uit te leggen dat een pdf-afbeelding van een ticket op zijn computerscherm identiek is aan het uitgeprinte ticket dat de conducteur eist. De ruzie loopt hoog op, waarna de capotreno woedend wegbeent en belooft met versterking terug te komen, en Parks even woest verklaart bij de volgende halte uit te zullen stappen. „Wat ik toen nog niet zag, maar de hele coupé, die op mijn hand was, wel: dat hij wegloopt om geen gezichtsverlies te lijden en niet terugkomt.”

Die ruzie was een mijlpaal, lijkt het.

„Ik zag twee dingen. Ten eerste dat de relatie van reizigers met de conducteur typisch is voor de verhouding van het individu en de staat. De capotreno stamt uit de negentiende-eeuwse begintijd van het Italiaanse spoor, dat vooral een politiek doel had: het jonge land bijeen houden. Het treinpersoneel had toen een paramilitaire status. Als zo’n man de coupé binnenstapt voel je nog steeds een lichte huivering.

„Ten tweede zag ik hoe Italiaans die ruzie is. Beide partijen werken zich in een positie waarin ze geen van beiden kunnen verliezen, maar ook niet kunnen winnen. Uiteindelijk drijft niemand het op de spits en verandert er niets.”

Italië in het klein?

„Ja. Wat is het meest fascinerende van de Italiaanse politiek? Niet dat Berlusconi van dit of dat wordt beschuldigd, of dat er op rechts geen alternatief is. Nee, in elk ander land zou zijn partij hebben gezegd: deze man is een blok aan ons been en kan zich nooit meer op het internationale toneel vertonen, dus moeten we van hem af. Maar dat gebeurt hier niet omdat alle belangrijke figuren in zijn partij niet kunnen toegeven dat ze het verkeerd hebben gezien. Ze zien nog liever dat Italië in zee verdwijnt. Dat is het probleem: het debat pretendeert alleen maar over de inhoud te gaan.”

Op het spoor geldt hetzelfde volgens u. De privatiseringen zijn een farce.

„Ja, het is het theater van de privatisering. Iedereen weet dat het niet waar is, maar men schept een situatie waarin iedereen het er zogenaamd over eens is dat het zo is, ook om buitenlanders een plezier te doen. Intussen verandert er niks. Neem de boeren die uit protest tegen bezuinigingen treinen tegenhouden. Daar vinden ze een vorm voor: elke trein een half uur. De boeren zitten intussen wijn te drinken met de agenten. In Engeland zouden demonstranten op de rails gaan liggen, en verandert er vroeg of laat iets. In Italië stagneert alles alleen maar langzaam. Men accepteert dat er een gat is tussen illusie en realiteit. Mensen geloven dat het zinloos is iets te willen veranderen en doen dan maar alsof.”

Nederland heeft een moeizame verhouding met Italië en treinen, zoals u weet.

„Het is moeilijk te begrijpen wat er is fout gegaan rond de Fyra, want dezelfde lui maken snelle treinen voor Italië die het prima doen. Het beste is om met ze te blijven praten en beloven dat je méér treinen koopt als ze deze alsnog kunnen laten werken. Dat is de enige manier, want als je al betaald hebt ben je kansloos. Je kunt ze natuurlijk voor de rechter slepen, maar uiteindelijk wordt er geschikt.”

Hoe Brits bent u zelf nog?

„Ik val meestal door de mand nog vóór ik een woord heb gezegd. Kwestie van lichaamstaal en mimiek, denk ik. In de trein ben ik sowieso meestal een buitenstaander, half in een boek verzonken, half in het langsglijdende landschap van het mooie en lelijke land dat op een bepaalde manier mijn land is geworden.

„De tocht naar het zuiden in het laatste deel van mijn boek was mijn eerste lange treinreis sinds tijden. Tien uur met dezelfde mensen in een coupé van Rome naar Palermo. Ik zag snel dat mijn normale positie onhoudbaar was, en dat ik mee moest doen, deelnemen in de conversatie. Dan realiseer je je hoe plezierig het kan zijn als iedereen zijn computer en telefoon weglegt en in gesprek gaat. Dat zijn de mooie momenten. Andere momenten zijn eh... hell.”

Tim Parks: Italië op het spoor. Vertaling Corine Kisling. De Arbeiderspers, 308 blz. € 19,95.