Een reünie met de doden

Je hebt een dozijn dichtbundels geschreven, en je bent bijna tachtig. De dood zie je misschien niet doorlopend als dreiging, maar hij is wel een dagelijks begrip geworden. Hoewel: begrip? ‘Alsof we werkelijk iets / van de dood begrijpen als we lijnen / trekken waarbinnen het grote verdwijnen / draaglijk lijkt,’ dicht Willem van Toorn (1935) in Bezweringen.

Het aangehaalde citaat staat in het eerste couplet van ‘Amstelpark met gezelschap’. In dat gedicht creëert Van Toorn een denkbeeldige reünie met zijn overleden familieleden en vrienden.

Ik schilder voor jullie maar

met mijn kinderhand van taal

dit déjeuner sur l’herbe.

Daar zitten we allemaal,

jullie zo dood als een pier,

maar luid als een vrolijke schoolreis.

Ik stel niemand voor, jullie kennen

elkaar uit dat hoofd van mij,

mijn doden van plezier.

Ik ken geen andere dichter die zulke regels zou kunnen schrijven. Sinds zijn debuutbundel Terug in het dorp (1960) is Van Toorns toon al zo helder en schijnbaar onpoëtisch. Zijn verzen zijn onverbloemd direct, maar tastend verwoord, waardoor de achtereenvolgende regels onaangekondigd, vaak verrassend in beeld komen. De thematiek is persoonlijk, maar evenmin opdringerig als de ‘kinderhand van taal’ die er uiting aan geeft. Het is alsof de dichter op papier aan het praten is, maar wat hij zegt gaat verder dan de dagelijkse kout. Zelfs als hij bezweren wil, zoals in deze nieuwe bundel, gebruikt hij geen grote woorden. Toch wordt er wel degelijk bezworen.

Duits klooster

Er valt ook veel in de ban te houden. In de openingscyclus van Bezweringen beschrijft Van Toorn de ‘relikwieëntuin, hoofdschedelplaats,’ van het Duitse klooster Bentlage. De beenderen liggen daar in een glazen kast, ‘getooid met edelstenen, strikken, zilveren bloemen, / opdat de Dag des Oordeels zoiets wordt / als een rinkelende parade van incomplete / maar opgedirkte geraamtes.’ Zo wil de dichter zelf niet omgaan met zijn doden. In de eerste afdeling van de bundel, ‘Dodendans’, geeft hij aan elf gestorven dierbaren een plaats in zijn herinnering. Dan blijkt hoe weinig dood sommigen nog zijn. De Vlaamse dichter Herman de Coninck laat zich niet definitief uit het hoofd zetten. Van Toorn loopt bijvoorbeeld in Frankrijk langs ‘het grijs monument / met de krans voor de zinloze doden. En ja hoor, / precies hier doen ze weer je stem: // Willem, ik weet soms niet meer van wat hout / pijlen te snijden –‘.

Elke dode heeft zo zijn hechtpunten. De lach van schoonzuster Ella, de laatste, martelend geschreven letters van vriend Erik, de foto van broer Rien, een opstandig gedicht van Guillaume van der Graft… De kinderhand van taal lijkt gauw gevuld. Maar Willem van Toorn beheerst (zoals ik eerder schreef) als weinig andere dichters het mechaniek van ontroering. De emoties stijgen bij hem nooit boven het aardse uit. Ik denk dat zijn verzen juist dankzij het aardse referentiekader zo vertrouwenwekkend intiem zijn.

Dit geldt voor vrijwel ieder gedicht in Bezweringen. Na ‘Dodendans’ zijn er nog drie afdelingen in de bundel. ‘Een winter in Le Petit Jouhet’ biedt een vijf verzen lang verslag over een winters verblijf in Frankrijk. Van Toorn las daar het Kriegstagebuch ’14-’18 van de ‘wrange dodenmeester uit Duitsland’ Ernst Jünger, en daarmee bleef het levenseinde in zijn poëzie aanwezig. Ook in de volgende afdeling, ‘Images’, speelt dood een belangrijke rol, maar de poëzie put hier niet uit levenservaring, maar uit literatuur en beeldende kunst. Pas in ‘Naar het leven’ keert Van Toorn terug in eigen boezem. Een juweel in die vierde afdeling vind ik het portret van de Haarlemmermeerse boer in wiens onteigende hoeve de dichter jarenlang woonde. ‘Boer Koefoed, nog niet dood’ heet het,

‘Tachtig jaar lang rechtop geboerd. En nu

de knieën man, ik krijg ze niet meer recht.’

Je loopt met je kont achteruit, tien meter, dan

is het op – maar geen dokter ontzegt

jou je jacht. Vandaag is het zo koud

dat je want vastvriest aan de loop. Je zoons

hebben je in de rieten stoel gezet

en naar het einde van het veld gesjouwd

tot bij de windsingel. Sjaal om je pet,

twee jassen, sokken over laarzen. een paardendeken

en je geweer dwars over je schoot op scherp.

Vogelverschrikker maar nog lang niet dood.

De lucht is zwaar als lood boven je hoofd.

Je hand beeft niet. Hazen opgelet.

Dit portret is onverbloemd geschetst. Rijm en halfrijm zijn onopvallend toegepast. De slotzin daarentegen is ritmisch opvallend ontregelend. Veel aardser kan het niet, en toch spreekt er warmte uit dit vers. Je moet wel een stenen ziel hebben, wil het je niet ontroeren. Dit is wat Willem van Toorn als dichter kan, en dat is veel. Wordt het niet tijd voor een grote oeuvreprijs?