Een kamer in het huis van de wind

Wie aan het eind van zijn leven gekomen is, probeert misschien nog wel meer dan anders te formuleren waar het nu eigenlijk om draait. De onlangs zo spijtig jong overleden poëziebeschouwer en dichter Hans Groenewegen (57) leek dat in ieder geval wel te doen in het interview dat het poëzietijdschrift Awater met hem had. Het gesprek kreeg de titel ‘Leren loslaten’ mee, wat natuurlijk toepasselijk is voor iemand die stervende is. Maar het ging Groenewegen duidelijk al veel langer om dat ‘loslaten’.

Hij zegt onder meer: ,,In de poëzie zie je (-) dat je met het benoemen van wat je ziet uiteindelijk mist wat je ermee wilt zeggen.” Ja, dat is waar, het is zelfs bijna een gemeenplaats. Wat gezegd wordt, is nooit dat waar het om gaat. Het is nu eenmaal zo dat veel van wat we voelen en denken niet uit te drukken is. Soms denk je wel eens: niets van wat we voelen en denken. Feiten, aanwijzingen en bevindingen laten zich wel verwoorden, maar gevoelsinhouden, niet alleen van zuiver emotionele maar ook van overwegende aard, zijn bijna altijd ‘pre-talig’. Ze bestaan zonder taal en worden wel in de taal opgevangen, zoals echo’s of verre geluiden, maar niet weergegeven. Woorden zijn schijnaanduidingen. Tegelijkertijd zijn ze vaak heel behulpzaam, noodzakelijk zelfs, ze zijn de reddingsboeien waaraan we ons vastklampen om iets van alles wat er in ons omgaat tot uitdrukking te brengen. Daarom ben je soms zo dankbaar voor een dichtregel.

Maar wat betreft dat loslaten. Direct na die uitspraak over het benoemen zegt Groenewegen: ,,Het reiken naar iets gaat altijd gepaard met het loslaten ervan.” Hij verwijst naar dichters bij wie je dat ziet, dichters als Hans Faverey, Lucebert, Gerrit Kouwenaar.

Het is een uitspraak waar je even over na moet denken – reiken is immers nog geen vastpakken en hoe kun je dan loslaten? Maar na een poosje begreep ik het. Je reikt naar iets wat je wilt pakken, begrijpen, vangen – laten we meteen maar iets heel onmogelijks noemen: het goddelijke. Maar juist doordat dat onmogelijk te vangen is, hoe je ook reikt, begrijp je dat je het verlangen moet loslaten om het ooit te pakken te krijgen. Waarmee niet gezegd is dat het reiken overbodig was. Het is eigenlijk dat wat Vestdijk in De glanzende kiemcel al zo mooi beschreef, dat je een gedicht, de kern ervan, de glanzende kiemcel, wel steeds dichter kunt naderen en steeds duidelijker die glans kunt zien – maar pakken kun je hem nooit.

,,Wie wat vindt heeft slecht gezocht” schreef Rutger Kopland.

Zo gaat het ook met mystieke verlangens – je kunt de geheimen naderen, iets van hun betekenis zien, maar (be)grijpen kun je ze niet.

Zo gaat het met het leven zelf. ,,Weil ich niemals dich anhielt, halt ich dich fest” schreef Rilke. Dat is wat Groenewegen bedoelt, denk ik: je vindt alleen wat je niet wilt bezitten, je houdt wat je loslaat. Iets aardser beschouwd is het ook waar, denk maar aan een huwelijk. Je moet niet denken de ander te bezitten, je kunt hem of haar niet vasthouden, de eigen eenzaamheid kan niet worden opgeheven. Dat hoeft niet als iets tragisch gezien te worden, eerder als een vorm van blijvende openheid voor juist dat wat in een ander niet te kennen valt. Dat hij zijn hele leven met poëzie bezig is geweest, zegt Groenewegen en dat hij daardoor, door zich steeds op hetzelfde kleine gebied te richten, meer in beweging is gekomen dan mensen die de hele wereld rondreizen. Dat geloof ik direct. Het is het verschil tussen oppervlakte en diepte – hoe opwindend de sensatie van de oppervlakte ook kan zijn. Zeker als de oppervlakte een geweven web van verbanden is, met de suggestie van een diepte die je zou kúnnen verkennen, als je zou willen. Uiteindelijk leven toch zij het volledigst die zich in iets verdiepen. Zoals sommige vogels steeds blijven trappelen op dezelfde plaats om een worm naar boven te krijgen.

Poëzie is voor verdieping heel geschikt, niets komt er ooit vast te liggen, alles kan en moet steeds weer onder andere woorden gebracht. Juist op het moment dat je tot de kern van iets denkt te komen, valt het uit elkaar. Wat niet wil zeggen dat je niets hebt gekregen. Maar wel dat je niet iets hebt weten vast te leggen. Alles is voorlopig.

,,Eén kamer in het huis van de wind zou van mij zijn/ één zandfauteuil, één zeebed het mijne (-) één wolk/ zou in mijn schedel het vervliegende denken” schreef Groenewegen in een gedicht dat eveneens in Awater staat. Dat zijn prachtige formuleringen voor wat hij daarvoor zei. Al die vluchtigheid, een kamer in het huis van de wind. Ga er maar wonen, in die kamer. Noemen kun je hem, vinden niet. Loslaten moet je.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC Handelsblad.