Doorbreek het kuddedenken

Volgende week start hier de serie , waarin schrijvers het onverdedigbare verdedigen. Vandaag als introductie columnist , over waarom taboes gevaarlijk zijn.

‘Alles kan en alles mag’ lijkt het credo van deze tijd. Je moet alles kunnen doen: omgangsvormen zijn informeler geworden en normen en waarden minder dwingend. En je mag zeggen wat je wil, op blogs en fora bijvoorbeeld.

Maar is het echt waar dat alles kan? Stel: je zit op je werk en trekt om twee uur ’s middags een biertje open. Hoe zouden je collega’s reageren? Enthousiast? Laconiek? Waarschijnlijk eerder geschokt en afkeurend. Hetzelfde zouden ze doen als je een collega op haar kont sloeg, of als je achter je bureau een emotioneel Skypegesprek hield met je psycholoog. Sommige dingen doe je niet.

En net zo goed zijn er dingen die je niet zegt. Stel je de reacties voor als je zou zeggen dat vrouwen minder talenten hebben dan mannen. Of dat Afrikanen luier zijn dan Europeanen.

De dingen die we niet mogen doen of zeggen, heten taboes. Het kan gaan om grote thema’s en kleine gebruiken. Het ontkennen van de Holocaust is taboe, maar drinken op je werk ook. Zonder het te merken, laveren we dagelijks tussen allerlei taboes door.

Taboes zijn aan verandering onderhevig. Was het aan het begin van de vorige eeuw ongepast om zonder hoed over straat te gaan, tegenwoordig vertoont bijna iedereen zich blootshoofds. Vijftig jaar geleden spraken we iedereen met ‘u’ aan; nu worden we zelfs joviaal getutoyeerd door kranten en verzekeringsmaatschappijen.

Bolkestein en Fortuyn

Niet alleen de etiquette verandert, ook maatschappelijke dogma’s verschuiven. In Nederland werd het publieke debat de afgelopen decennia beheerst door een paar hardnekkige taboes. Het bekendst is het taboe rondom de multiculturele samenleving. Van de jaren zestig tot de jaren negentig was het ongepast je negatief uit te laten over allochtonen. Wie dat toch deed, werd beschuldigd van racisme of fascisme: de vergelijking met Hitler was nooit ver weg. Toen Frits Bolkestein in 1991 kritiek leverde op de gebrekkige integratie van minderheden begon een voorzichtige kentering, die werd voltooid met de opkomst van Pim Fortuyn en het salonfähig worden van een deel van zijn ideeën.

Net zo goed was het tot halverwege de jaren zeventig taboe om te wijzen op de mogelijke uitwassen van de verzorgingsstaat. Critici van de uitdijende sociale zekerheid riskeerden het voor conservatief te worden uitgemaakt: in het naoorlogse Nederland ongeveer het ergste wat je kon overkomen. Na de oliecrisis van 1973 en de daarna rap oplopende werkloosheid en overheidsuitgaven kenterde de publieke opinie. Ineens moest de overheid kleiner worden en de verzorgingsstaat soberder. Het hele politieke spectrum, met de opiniemakers in zijn kielzog, verschoof naar rechts.

In beide gevallen bestond aanvankelijk een dwingende consensus en een taboe op tegenspraak. Pas toen de omstandigheden juist waren en iemand de eerste stap durfde te zetten, kon de consensus verschuiven naar de andere kant.

Typisch Nederlands

Mensen zijn kuddedieren: ze sluiten zich graag aan bij wat de rest van de groep vindt. Vier jaar geleden lieten neurowetenschappers proefpersonen naar foto’s van vrouwen kijken; ze moesten ze beoordelen op aantrekkelijkheid. Na afloop kregen ze het gemiddelde van de groep te zien. Toen ze de test daarna opnieuw deden, bleken ze hun antwoorden aan te passen aan het gemiddelde.

Maar in Nederland heeft dat kuddegedrag een opvallende vorm. Natuurlijk, ook andere landen hebben hun taboes en verschuivingen, maar Nederland valt op door de snelheid en massaliteit waarmee de goegemeente zich er haast van het ene naar het andere standpunt. De socioloog Herman Vuijsje vergeleek het in zijn boek Correct, over taboes in Nederland, met een sur place in een wielerwedstrijd, ‘waarbij de renners bewegingloos op de baan staan, balancerend en elkaar beloerend. Niemand durft als eerste in beweging te komen, maar zodra er één rijdt, moet iedereen mee.’

De Amerikaanse hoogleraar Nederlandse geschiedenis James Kennedy noemde dit mechanisme een neveneffect van de Nederlandse consensuscultuur: ‘Als er een bepaalde consensus tot stand is gekomen, is het erg moeilijk om kritiek te leveren. In Nederland heeft meerdere malen een collectieve breuk met het verleden plaatsgevonden, waarin zelfbewuste verdedigers van het ancien régime moeilijk te vinden zijn en de nieuwe dogma’s met missionair elan worden verkondigd’.

Seks met dieren

Het in stand houden van taboes lijkt misschien lekker rustig, maar is in feite gevaarlijk. Als een onderstroom te lang wordt genegeerd, kan die plotseling en krachtig naar boven komen. Bovendien: de taboes van vandaag zijn vaak de heersende opinies van morgen. Zouden we over vijftig jaar nog steeds vinden dat je over geld niet praat, dat privacy heilig is, en dat seks met dieren moet worden bestraft? Ik betwijfel het.

De Duitse schrijver Thomas Mann beschreef de taak van de intellectueel eens als volgt: ‘Als de boot naar links neigt, ga ik naar rechts, en als de boot naar rechts neigt, ga ik naar links.’ In Nederland hebben intellectuelen nagelaten deze raad op te volgen. In de ironische woorden van Vuijsje: ‘De intellectueel als inquisiteur, die het debat niet aanvoert maar verbiedt, heeft ons de afgelopen decennia behoed voor menige ongewenste gedachtewisseling.’

Een gezonde samenleving heeft critici nodig, advocaten van de duivel die immuun zijn voor kuddegedrag.

In de zomerserie ‘Advocaat van de duivel’ kraken schrijvers een taboe, zoals bijvoorbeeld het eten van mensenvlees. Volgende week vrijdag Christiaan Weijts over de beweegredenen van mensen die vluchtelingen willen helpen.