Column

De dichter als duider en ziener

Toen onlangs op de televisie een fundamentalistische christen betoogde dat hij tegen het inenten van zijn kinderen was omdat de Heer dat niet wilde, wist ik het zeker: Nederland is buiten de stadsgrenzen van Amsterdam een archaïsch land. De inhuldiging van de koning sluit daarin perfect aan op het royale wc-potwerpen in zijn tijd als kroonprins, het paniekvoetbal van het kabinet-Rutte doet sterk denken aan een klucht van Breero.

Tijdens het lezen van de bundel columns Vroeger was alles beter, behalve de tandarts van de Groninger dichter Jean Pierre Rawie werd ik in dat vermoeden bevestigd. De John Betjeman van de Lage Landen schildert in die columns op vermakelijke wijze het knullige provincieleven, dat hij al sinds zijn jeugd als domineeszoon in Winschoten als een veldbioloog waarneemt en dat zeer representatief is voor de rest van Nederland.

Zoals iedere belezen 60+’er ergert Rawie zich aan de moderne tijd, waarin ‘kennis’ een vies woord is geworden en voor wezenlijke zaken geen plaats meer lijkt te zijn. Als voorbeeld geeft hij de spellingshervormingen ervanlangs, waarvan er zo’n twee per generatie worden doorgevoerd en die, aldus Rawie, ervoor zorgen ‘dat onze literatuur vergeleken bij die in andere talen voortdurend veroudert’. Ook vraagt hij zich af waarom niemand meer een klassiek schrijver als Carmiggelt leest, de Nederlandse Tsjechov, terwijl iedere Rus zo een paar verhalen en toneelstukken van die laatste voor je kan samenvatten.

Anders dan Rawie, ben ik zelf een gematigd optimist als het om de cultuur gaat. Maar als ik in boekenland rondkijk, wordt het me regelmatig droef te moede en moet ik hem toch gelijk geven. Want wat moet je met de mededeling in het deze week verschenen jaarverslag van de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek dat binnen deze organisatie de ‘D-structuur’ is ingevoerd. Alle medewerkers zijn daardoor ondergebracht bij afdelingen wier naam met een D begint: Dromen (strategie en beleid), Denken (jaarplanning), Duiden (onderzoek), Delen (PR, marketing, klantbeheer), Dokken (financiën) en Duwen (faciliteiten). Los van de algemene infantilisering die de D-structuur met zich meebrengt (‘Kunt u me doorverbinden met de afdeling Dromen?’) intrigeert vooral dat vulgaire woord ‘Duwen’ me. Wie verzint zoiets? Gezegend zijt gij, o dichter, als u ook dit in uw werk kunt duiden!