Vreemde kerels

Serie over 7 dames en een man die voor hun eigen veiligheid achter cijferslot wonen. Met in de hoofdrol mevrouw Niterink (86), de moeder van Tosca Niterink.

Ze ligt opgekruld onder hoog opgetrokken dekens. In het schemerduister ontwaar ik enkel een grijze kroespluk van haar. Ze beweegt niet en maakt geen geluid. Ademt ze wel? „Mam”, fluister ik ongerust .Ik trek de deken voorzichtig omlaag en duw zachtjes tegen haar hoofd. „Mam!” Ze schiet overeind. „Wat moet dat?” Ze zit rechtop, stokstijf, haar tas onder haar arm geklemd. (Ze neemt haar tas altijd mee in bed). „Mam! Ik ben het Tosca!”

„Daar trap ik niet in! Je liegt!”

Ik knip het licht aan. „Kijk maar mam.”

„O ja, maar wie zijn er allemaal nog meer? Wat hoor ik daar achter je voor gebonk?”

„Dat is Annie mam, op haar houten kleppers.”

Annie steekt haar blote kleppervoet op. „Kijk maar moeders!”

„Ach gut ja, kind toch! Had je niks fatsoenlijkers?”

„Mam! Het is ‘zomers-houten-slipper-weer’!”

Op het tafeltje naast mijn moeders bed staat een zilveren lijstje met daarin de vergeelde foto van een vreemde man.

„Wie is dat mam?” Mijn moeder kijkt er verbaasd naar. „Ik ken die vent niet!”

„Zijn foto staat naast je bed. Je hebt de man van een ander ingepikt.”

Ze barst in lachen uit. „Kijk nou, dat brave smoel van hem. Om te gillen!”, roept ze. De tranen lopen over haar wangen. „Heb ik dat gedaan?”

„Ja mam, blijkbaar vond je drie ingelijste kerels naast je bed niet genoeg.”

„Ik, drie kerels? Ga weg, waarom hoor ik dan nooit wat van ze?”

„Ze hebben allemaal het loodje gelegd naast jou.”

„Ben ik zo’n rotwijf?”

„Nee mam, vrouwen zijn nu eenmaal sterker dan mannen.”

„Kom we gaan naar buiten”, zegt Annie.

Op de gang komen we de grote gele man (de nieuwe bewoner) tegen, met zijn latvriendin. Hij hangt voorovergeknakt in een rolstoel.

„Wat is er gebeurd?”, vraag ik aan zijn vriendin. „Vorige week liep hij toch nog gewoon?”

„Tja, het gaat gewoon niet goed”, begint ze. Dan volgt er een warrig verhaal. „Hij heeft het heel moeilijk hier. En daar komt nog bij dat hij het afschuwelijk vindt om gewassen te worden door jonge meisjes. Hij is majoor geweest en heeft ook een oorlogstrauma, dus hij vindt het echt vreselijk zo’n jong meisje.”

„De meeste mannen zouden het juist...”, werp ik tegen.

„Nee”, valt ze me in de rede, „voor een majoor is het juist heel vernederend. „En...”, vervolgt ze „...het is voor hem sowieso heel vernederend hier...”, dan stokt haar stem.

„Tussen al die vrouwen”, vul ik aan.

„Heb ik eigenlijk nog een man?”, vraagt mijn moeder in het park.

„De laatste is een paar jaar terug doodgegaan.”

„Ach gut! Vond ik het erg?”

„Niet echt, je had hem een tijdje daarvoor uit je huis gezet.”

„Waarom?”

„Je deed ’s nachts het licht aan om je pantoffels te zoeken omdat je naar de wc moest en toen werd hij kwaad en toen riep jij dat je in je eigen huis ’s nachts je pantoffels wilde zoeken en toen heb je hem eruit gezet.”

„He jakkes.”

„Hij had de volgende dag al een ander.”

„O gelukkig maar.”

„Kijk mam, die struik witte bloempjes, dat is vlier. Die sprieten die daar naast groeien, zijn hol, daar ademt de plant door.”

„Ja, daar maakten we vroeger fluitjes van.” Mijn moeder doet het voor . „Over flierefluiters gesproken”, mompelt ze.