Voetnoot: laat The Post Snowden lekken en dan stikken?

Foto AP

Een voetnoot bij het Snowden-debat.

The Washington Post, de krant die met The Guardian Snowdens onthullingen als eerste bracht, schreef dinsdag in een commentaar dat hij zich zou moeten aangeven bij de autoriteiten, en dat de Amerikaanse overheid lekken als de zijne nu zo snel mogelijk moet ,,dichten’’.

De eerste prioriteit van Amerika zou nu moeten zijn om te voorkomen dat Snowden informatie lekt die schadelijk is voor terreurbestrijding of voor legitieme operaties van inlichtingendiensten. [..] Snowden beschikt naar verluidt over nog veel meer gestolen documenten, waarvan hij versleutelde kopieën kan hebben verstrekt aan bondgenoten van hem zoals de organisatie WikiLeaks.

Geen woord over de manier waarop The Post zélf had geprofiteerd van die gestolen documenten.

En wat staat Snowden te doen, volgens het commentaar?

De beste oplossing voor zowel Snowden als de regering-Obama zou zijn dat hij zich aangeeft bij de Amerikaanse autoriteiten, waarna over zijn zaak kan worden onderhandeld. Het is moeilijk voor te stellen dat de gevolgen voor de 30-jarige erger zouden zijn dan een permanente ballingschap in een onvrij buitenland. Helaas geven de zogenaamde vrienden van deze naïeve hacker hem waarschijnlijk andere adviezen.

Het commentaar, dat je hier kunt lezen, leidde op Twitter tot schampere reacties: eerst gebruik maken van de diensten van een klokkenluider, en dan het vingertje heffen - hypocriet. Alsof de krant zegt: bedankt hè, en wie weet tot over twintig jaar als je weer vrijkomt.

Een reactie van de site Gawker:

Let op, potentiële klokkenluiders in de regering! Het standpunt van de commentatoren van The Washington Post is nu dat u uw mond moet houden of de cel in moet. Mogelijke bronnen van die krant kunnen dat misschien nog eens betrekken in hun overwegingen waar ze heen moeten met hun informatie.

En mediacriticus Jack Shafer waarschuwde de commentatoren sarcastisch:

Attentie: de artikelen [over Snowden] komen UIT JULLIE EIGEN GEBOUW!

Een selectie van de reacties is hier te lezen.

De krant verdedigde zich ook meteen. De chef van de opiniepagina, Fred Hiatt, liet weten ,,helemaal geen tegenspraak’’ te zien tussen het feit dat de krant Snowdens primeur bracht en de oproep in het commentaar aan de overheid om lekken als deze te dichten.

We zeggen dat de regering haar best moet doen publicatie van informatie te voorkomen als die schadelijk kan zijn voor de strijd tegen terrorisme en voor normaal inlichtingenwerk. Ik vind het nogal moeilijk voor te stellen dan iemand het daarmee oneens kan zijn. [..] We hebben ook verschillende commentaren geschreven waarin we zeggen dat de informatie die nu naar buiten is gekomen, nuttig is.

Hiatt onderstreept ook dat de commentatoren van de krant de nieuwsredacties niet vertellen wat die moeten doen, zomin als de laatsten de eersten vertellen wat zij moeten vinden. Met het commentaar is dan ook geen oordeel gegeven over de eerdere berichtgeving in de krant. En dat de commentatoren daar geen melding van maken, was gewoon omdat ze de indruk van ,,opscheppen’’ wilden voorkomen.

De hoofdredacteur, Marty Baron, onthoudt zich zoals gewoonlijk van commentaar op de commentaren.

Tja. Toch blijft het bizar dat in de mening van The Post de rol van de krant zelf buiten beschouwing wordt gelaten. Want als Snowden een ‘naïeve hacker’ is, dan toch op zijn minst eentje van wiens naïviteit de krant eerst flink heeft geprofiteerd. Waarom zou hij dan nu opeens moeten zwijgen?

Maar hypocriet of niet, het kán gebeuren dat het commentaar van een krant wringt met, of zelfs haaks staat op een primeur in het nieuwsgedeelte. Dat is de consequentie van de scheiding tussen newsroom en editorial board bij veel grote Amerikaanse kranten.

Ook bij The Washington Post worden de (niet ondertekende) commentaren geschreven door zo’n editorial board die los staat van de nieuwsredactie. Leden van die groep commentatoren doen eigen feitenonderzoek en formuleren hun mening in onderling beraad; de chef en adjunct-chef van de opinieredactie van de krant hebben er wel zitting in.

Achtergrond van die opzet is het uitgangspunt dat feiten en meningen gescheiden moeten blijven: facts are sacred, but comment is free. Dat wil zeggen: de feiten moeten niet worden aangepast aan de mening van de krant, maar andersom moet ook het standpunt van de krant geen automatisch verlengstuk zijn van de berichtgeving. Het eerste zou leiden tot manipulatie, het tweede tot campagnejournalistiek.

Zo strikt als in Amerika is de organisatorische scheiding tussen nieuwredactie en commentatoren bij Nederlandse kranten niet, ook niet bij NRC Handelsblad. De commentatoren van deze krant werken ook als vakredacteuren, op een coördinator na. Onderwerp en strekking van het dagelijkse commentaar worden besproken met (en goedgekeurd door) de hoofdredactie. Maar ook dan geldt: het commentaar is de ‘officiële’ mening van de krant, niet die van de redactie, laat staan die van iedere individuele redacteur.

En ja, dat leidt ook wel eens tot frictie tussen nieuws en commentaar.

Zo klaagde raadsheer Tom Schalken in juli 2011 in een interview met Marcel Haenen over de ,,schandalige’’ behandeling die hem ten deel was gevallen bij de Amsterdamse rechtbank in het proces tegen Geert Wilders. Schalken was opgeroepen om te getuigen over een etentje waar hij volgens de verdediging van Wilders had geprobeerd een getuige-deskundige in de zaak, de arabist Hans Jansen, te beïnvloeden. Schalken zei onder meer:

Ik zat daar niet als getuige maar als de schurk en Wilders zat achter me. Hij was de beul tussen grijnzend publiek. Ik ben respectloos behandeld.

Maar twee dagen later stelde het commentaar vast dat hij als door de wol geverfde jurist eigenlijk niet moest zeuren:

Dan geldt toch: kraag omhoog, beleefd zwijgen en je concentreren op de eventuele volgende zaak. [..] Rechters spreken door hun vonnis – dat is het ijkpunt voor het publieke debat. Niet in een boek achteraf, noch door een vraaggesprek in de krant.

Vrijwel hetzelfde gebeurde in oktober 2009, na een interview van, alweer, Marcel Haenen met de toenmalige Amsterdamse politiechef Welten. De korpschef bekritiseerde burgemeester Job Cohen omdat die hem zou beknotten in zijn functioneren:

Ik moet veel inslikken. Ik moet mijn ambities bijstellen.

En jawel, twee dagen later kreeg hij een veeg uit de pan in het commentaar om zijn ‘tactische blunder’:

Natuurlijk kan het niet zo zijn dat een hoofdcommissaris in het openbaar alleen maar met de pet in de hand zwijgend luistert naar het bevoegd gezag. Maar als hij spreekt, moet het niet gaan over de persoonlijke gezagsverhoudingen maar over maatschappelijke problemen.

Sommige lezers stoorden zich daar aan: eerst laat je zo’n man gretig aan het woord, en dan geef je hem als dank een tik op zijn vingers. Foei! Toenmalig hoofdredacteur Birgit Donker verdedigde dat commentaar over Welten toen met een beroep op de scheiding tussen verslaggeving en commentaar. Ze schreef ook:

Als de lijn van de lezerskritiek [op het commentaar] wordt doorgetrokken, zouden we in commentaren nooit negatief mogen oordelen over uitspraken die in een interview in deze krant zijn gedaan.

Ja, inhoudelijke kritiek op een interview is natuurlijk altijd mogelijk – maar hier ging het niet alleen om wat Welten zei, maar, net als bij Schalken, om het feit dat hij het zei. Is dat niet raar? Iemand aan het woord laten, maar dan schrijven dat hij eigenlijk zijn mond had moeten houden?

Commentator en juridisch redacteur Folkert Jensma legde het over Schalken destijds zo uit, in een rubriek die ik erover schreef:

We hebben het probleem tevoren onderkend en besproken. Maar als commentator kun je niet de feiten die je eigen krant heeft opgespoord anders gaan beoordelen omdát die in je eigen krant hebben gestaan.

Hij wil maar zeggen: als Schalken dat interview aan de Volkskrant had gegeven, was dit de mening van de krant geweest – en dan moet dat ook de mening van de krant zijn als het in NRC Handelsblad staat. Het zou juist raar zijn om die mening dan gauw te veranderen.

Het commentaar wilde dus een algemeen punt maken over de manier waarop rechters zich dienen te gedragen - dat wil niet zeggen dat, als zij zich daar niet aan houden, de krant er geen gebruik van mag maken.

Dat is een goed punt, al vond ik toen (en nu) dat de krant deze uitleg er in het commentaar beter met zoveel woorden bij had kunnen geven. Maak de lezers deelgenoot van je afwegingen en dillemma’s. Want zij zien nieuws en commentaar tenslotte, logisch, als één en dezelfde krant.

Nog een recent voorbeeld: het Algemeen Dagblad bracht dinsdag een interview met CDA-fractievoorzitter Sybrand Buma, die premier Rutte aanviel over zijn optreden op de jongste Europese top. Leuk voor de krant. Maar pal naast het interview stond een column van adjunct-hoofdredacteur Hans van Zon, die de vloer aanveegde met de uitspraken van Buma (“Buma’s aanval niet gestoeld op feiten”).

Op dezelfde dag! Niet bepaald sjiek, zou je zeggen.

In het geval van Snowden ligt het natuurlijk nog weer anders. Want daarin gaat het niet om een gezagsdrager die in de krant een paar opzienbarende uitspraken doet, maar om de bron van een spectaculair, internationaal nieuwsverhaal, één die inmiddels zelf onderwerp is geworden van koortsachtige berichtgeving. En dan verwacht je van een krant ook een standpunt - maar of dit nu het verstandigste standpunt was?

Wat vindt u?