Verslaafd aan bas

De eeltige wijsvinger glijdt door mijn platencollectie. Hij houdt steeds even stil bij een exemplaar met een goede contrabassist erop. Wilbur Ware; afgemeten gepluk, vooral in het lage register. Paul Chambers; vloeiende, lange melodische lijnen. Charles Mingus; agressieve aanvallen op de snaren, een tikje slordig maar meeslepend. Charlie Haden met die lang resonerende noten.

Ik ben verslaafd aan de bas, aan het lage gebied in muziek. Of het nu de contrabassectie is in Wagners Die Walküre of de grommende groove van Quincy Jones in de eerste maten van Michael Jacksons The way you make me feel. Laag zit in je buik. Hoog in je hoofd. Het midden ergens in je middenrif. Goede muziek heeft het allemaal tegelijk, door elkaar, versmolten tot één klank. Maar zonder een mooi laag register is muziek gecastreerd.

Een contrabassist moet uren maken op zijn instrument. Contrabas spelen is een uitputtingsslag. De E-snaar is dik, je kunt er een auto mee wegslepen. Het duurt lang voordat je vingers en armspieren kracht genoeg hebben. Drie weken niet spelen en je bent uit vorm.

Tijdens dit North Sea Jazz Festival kijk ik vooral uit naar het optreden van contrabassist Avishai Cohen (33). De afgelopen tijd draaide ik zijn laatste plaat Duende veelvuldig. Over het hele register haalt hij een sonoor geluid uit zijn instrument. Het laag van de bas klinkt stoer, het hoog is zangerig en intens.

Veel jazzbassisten maken van hun instrument een cello. Ze vertillen zich aan het hoogste register, in het slechtste geval klinkt het als vals gepriegel. Niet bij Cohen. Hij is een compleet musicus; hij begeleidt, soleert en componeert. Cohen werd geboren in Israël en ontdekt door pianisten als Danilo Perez en Chick Corea. Hij heeft inmiddels al jaren zijn eigen groep.

De contrabassolo – zo vaak door publiek gebruikt voor een toiletbezoek – wordt bij Cohen een hoogtepunt tijdens een concert. Het klinkt breekbaar, zoekend. We horen een verhaal ontstaan. Het contrabasspel van Cohen doet me in de verte denken aan dat van Scott LaFaro (1936-1963), de man die de contrabas een volwaardige stem gaf in de jazz. Hij speelde in het trio van pianist Bill Evans.

De beroemdste liveopname komt uit The Village Vanguard in New York. Het is 25 juni 1961. LaFaro speelt soepel op zijn contrabas, de snaren lijken van elastiek. Na vier minuten en vier seconden in de ballad Some other time, klinkt er vanuit het publiek een nies. Tsjii! Meteen daarop is er een gesmoord lachje van een vrouw hoorbaar.

De magie van het trio is even doorbroken. Maar de muziek overleeft het moment. De bas van LaFaro zoemt onverstoorbaar door. LaFaro’s contrabas van toen – een Abraham Prescott uit 1825 – is nog steeds in goede staat. Hij staat bij een vioolbouwer in New York. Soms mag een bassist er een weekje op spelen. Misschien moet Cohen hem eens lenen. Ik zou niet durven.

Ik speel sinds mijn zestiende contrabas. Ik ben langer met mijn bas dan met mijn vrouw. Er zijn liefdevolle momenten; dan hang ik uren tegen de klankkast aan en trilt het hout tegen mijn buik. Maar er zijn ook periodes van haat. Dan wil de bas niet. Er is verzet, de bas lijkt zijn diepe geluid binnen te houden. Op die donkere dagen gun ik het ‘hondenhok’ geen blik waardig. Ik weet, er is maar één oplossing: spelen, spelen, spelen.

Op het festival zullen de contrabassen weer in alle maten en soorten op het podium staan; de half-size bas van Ernst Glerum, de buikige modellen van Christian McBride en Eric Revis, de bas met verlengde E-snaar van good old Ron Carter. Als het maar laag is, als het maar gromt. Als het maar stuwt en duwt, swingt en springt.

Als het maar een contrabas is.