Prijsschieten

Een groot onheil is afgewend. Op 18 juli, de dag dat de Tourkaravaan arriveert in Alpe d’Huez, wordt niet het rapport gepresenteerd van de Franse senaatscommissie die onderzoek deed naar dopingbestrijding. Onderdeel van dit onderzoek was een hertest van urinemonsters uit de Tour Dopage van 1998 met vernieuwde technieken.

Prijsschieten.

Een delegatie van vooral Franse wielrenners had de sportminister Valérie Fourneyron gesmeekt te wachten met het rapport tot na de Tour. Een container stront van vijftien jaar oud zou over de hoofden van een goedwillende generatie worden uitgestort. „Wij zijn het zat de volle laag te krijgen”, zei Samuel Dumoulin. „Vandaag is onze sport er een als elke andere. We hebben niet meer positieve gevallen dan elders”. De minister vond dat de delegatie een punt had. Het rapport komt drie dagen na de Tour.

Ik had opeens de behoefte een fles champagne te ontkurken. Wordt de wielrenner dan eindelijk mondig? Wanneer het woord doping valt kruipt hij doorgaans in een holletje. Hij heeft in zijn tragische evolutie de rol van pispaal met verve vervuld. Een onwaarschijnlijke combinatie van hoogmoed en schaamte, vormgegeven in een infantiele omerta als schild tegen de buitenwereld, hadden hem vervreemd van dezelfde buitenwereld en zichzelf.

Dumoulin: „Nu kunnen we ons weer concentreren op de sport. Na de Tour focussen we ons op de bevindingen van het onderzoek”. De laatste zin is belangrijk. Er wordt gezegd: we sluiten de ogen niet voor het verleden. De lijken in de kast zijn stijf maar de wormen bewegen.

Toen afgelopen najaar een kille wind opsteeg uit het Usada-rapport, gevolgd door de rabiate biecht van Lance, bleef de Nederlandse wielrenner zuinig in zijn commentaar: „We kijken alleen vooruit”. Het klonk me iets te gedateerd. Niemand zei: „Goh, wat een mestvaalt; hebben we eindelijk iets concreets om ons tegen af te zetten”. Dezelfde dode reflexen na de ontmanteling van Rabobank.

Het peloton doet er goed aan de geschiedenis van de eigen biotoop grondig te bestuderen. Hoe tijdens de wilde epojaren de trein ontspoorde. Hoe de doldrieste bewapeningswedloop erin resulteerde dat, een psychopaat daargelaten, niemand gelukkig was in de oorlog. Hoe de clowneske omerta precies het tegenovergestelde bewerkstelligde dan waar ze voor bedoeld was, namelijk zelfbescherming.

Het kan zo weer gebeuren.

Onder de wielrenners die de Franse sportminister benaderde bevond zich grappig genoeg de Duitse veteraan Jens Voigt. Jens zit vol geschiedenis. Ten tijde van de politierazzia’s in 1998 besloot de leiding van zijn ploeg die Sachen in een bos te begraven om ze in de winter weer op te delven. Ik kan het niet helpen, als Jens wijdbeens door het beeld schuift denk ik aan een piraat met een schep in de ene, en een handgetekende schatkaart in de andere hand.