Morsi was slechts uit op macht

Egypte juicht nu het leger de eerste democratische president heeft afgezet. Morsi verspeelde met een reeks mislukte beloftes zijn eigen mandaat.

Een van de weinige duurzame verworvenheden van de Arabische opstanden is het verdwijnen van de drempel van angst die de burgers tegenhield om de straat op te gaan tegen hun heersers. „Het onbeschrijflijke gevoel dat je niet langer bang bent voor de dreigementen van de staat die zo monolitisch en eng was”, zei gisteren de Egyptisch-Britse activist Adam Taylor-Awny in een gesprek in Den Haag. De Egyptische oud-president Mohammed Morsi had waarschijnlijk die drempel wel weer terug willen hebben, of in elk geval een beetje hoger gewenst, nu miljoenen demonstranten het leger tot zijn afzetting hebben bewogen.

Maar hoe kon het zo ver komen dat zo snel na de opstand van februari 2011 Egyptische betogers juichen voor een legercoup tegen Morsi?

Morsi gebruikte de legitimiteit van zijn presidentschap als harnas. Formeel had hij gelijk: hij werd een jaar geleden democratisch gekozen, al was zijn overwinning op Ahmed Shafiq, vertegenwoordiger van het oude Egypte, slechts nipt. „We hadden een afschuwelijke keuze”, zei Taylor-Awny, werkzaam in sociale ontwikkeling en lid van de democratische beweging. „Tussen een maffia van oude mannen en een vertegenwoordiger van alles wat slecht was”. Hij stemde op Morsi in de hoop op een rechtvaardiger bewind. „Maar we kregen een tamelijk krankzinnige islamitische visie die niet Kairo maar heilige Jeruzalem als de hoofdstad ziet. Planeet Broederschap, niet geworteld in de werkelijke wereld.”

Morsi’s problemen begonnen al lang voor zijn verkiezing, met het feit dat zijn Moslimbroederschap niet meer dan een bijrol speelde in de opstand van 2011. De eerste dagen waren de bedaagde, grijze mannen van de Broederschap slechts toeschouwer. Zij houden traditioneel niet van onrust; pas toen de opstand doorzette, deden zij schoorvoetend mee. De oude Moslimbroederschap en het regime van president Mubarak waren in feite twee kanten van een en dezelfde medaille: een monolitische staat tegenover een monolitische interpretatie van de islam. Niet een ideologie om een vrolijke, jonge, alle kanten opschietende democratische revolutie op te enten.

Daarbovenop heeft zowel de Moslimbroederschap – die vóór de presidentsverkiezingen als enige goed-georganiseerde partij de parlementsverkiezingen won – als Morsi verrassend slecht gepresteerd. Onder Mubarak was de Moslimbroederschap, hoewel zij was verboden en werd onderdrukt, toch in staat de bevolking diensten te leveren waar de regering faalde. De broeders en zusters zorgden voor medische hulp in eigen ziekenhuizen en haalden vuil op – daarmee kregen zij de aanhang die hun later hun verkiezingsoverwinningen bezorgde.

Maar dat vermogen hebben zij aan de macht kennelijk verloren. In zijn verkiezingscampagne beloofde Morsi in zijn eerste honderd dagen als president vijf belangrijke praktische kwesties aan te pakken: de groeiende onveiligheid (de gehate politie was na de revolutie niet meer in volle sterkte terug op straat verschenen), verkeersopstoppingen, brandstoftekorten, broodschaarste en de gebrekkige vuilophaaldienst. Na 365 dagen kan iedere Egyptenaar dagelijks zien hoe hij heeft gefaald. Volgens een deze week door Ahramonline gepubliceerde opiniepeiling vindt 73 procent van de Egyptenaren dat Morsi het afgelopen jaar geen enkele goede beslissing heeft genomen.

Analisten binnen en buiten Egypte zijn het wel eens dat zijn doorslaggevende blunder het constitutionele decreet was waarmee hij zich in november feitelijk boven de wet stelde. Morsi verbood het Constitutioneel Hof met zoveel woorden zich uit te spreken over de wettigheid van de grondwetgevende vergadering. Hij kreeg op deze manier de omstreden, fundamentalistisch getinte nieuwe grondwet aangenomen, zonder dat oppositiegroepen er enige zeggenschap in hadden gekregen. Dat leidde ook toen tot woedend straatprotest. Morsi trok zijn decreet uiteindelijk grotendeels in, en de betogers keerden naar huis terug, maar zijn imago was fataal beschadigd.

De regering was niet in staat de economie uit het slop te trekken. Maar het probleem was ernstiger. „Morsi voerde een bewind dat fundamenteel ondemocratisch was”, aldus Taylor-Awny. „Zijn bewind heeft niets gedaan aan gerechtigheid voor de slachtoffers van de opstand, het heeft geen poging ondernomen om democratische hervormingen door te voeren. Dit is een regering die zich voortdurend heeft ingespannen de controle te krijgen over de instituties van de staat, de rechterlijke macht, het leger. Zij heeft zich ingespannen de media te verstikken en niet-gouvernementele organisaties en de vakbonden te onderdrukken. In plaats van een periode van hervormingen hebben we een actief beleid gezien om een wereldvisie op te leggen.”

De Moslimbroederschap bleef zich gedragen als de oppositiebeweging die zij zo lang was, zeggen oud-leden. Haar belangrijkste oogmerk bleef macht verzamelen, niet het land regeren.

Maar het volk pikte het niet meer.