Jurken als serene, levende stenen

De prêt-à-porter loopt matig: Viktor & Rolf gaan zich richten op couture. Hun show in een zentuin sloot aan bij de oosterse invloeden bij Chanel.

Jurk uit de couturecollectie van Viktor & Rolf Foto Peter Stigter

Dit jaar jaar vieren Viktor Horsting en Rolf Snoeren het twintigjarig bestaan van hun modehuis. Maar het is wel eens voorspoediger gegaan met Viktor & Rolf. De geur Flowerbomb is al sinds de lancering in 2003 een wereldwijde bestseller, maar de prêt-à-porter doet het niet goed meer. Van de meer dan tweehonderd verkooppunten die Viktor & Rolf ooit hadden is maar een fractie over. „Mensen accepteren alleen bijzondere dingen van hen”, aldus modeondernemer Renzo Rosso (Diesel, Maison Martin Margiela), die het Nederlandse huis vijf jaar geleden inlijfde met het doel er een groot prêt-à-portermerk van te maken.

En dus, zo heeft Rosso besloten, gaat het roer om: de prêt-à-porter blijft weliswaar bestaan, maar krijgt minder nadruk; de nieuwe mannencollectie werd dit keer dan ook niet geshowd. Het huis gaat zich vooral richten op tassen, schoenen, geuren en haute couture, de kostbaarste en meest prestigieuze en grenzeloze vorm van mode.

Gisteravond sloot Viktor & Rolf de haute-coutureweek voor najaar 2013 af met hun eerste coutureshow in dertien jaar, die overigens vooral mogelijk werd gemaakt door de Nederlandse mecenas Han Nefkens; tien van de twintig creaties (voor elk jaar Viktor & Rolf één) zullen door hem worden geschonken aan museum Boijmans Van Beuningen.

De coutureshows die Viktor & Rolf rond 2000 gaven waren sensaties. En niet alleen door de uitzinnige ontwerpen; met hun shows leverden ze, toen nog als buitenstaanders, commentaar op het modesysteem. Het draaide alleen maar om accessoires, bij parfums ging het zelden om de geur, et cetera.

Horsting en Snoeren stopten met couture toen ze hun prêt-à-porterlijn startten. Buitenstaanders zijn zij allang niet meer, maar hun vermogen te verrassen en mode op een intelligente manier te benaderen zijn ze nog niet kwijt. In plaats van de verwachte spektakelshow kwamen ze met wat het best omschreven kan worden als een ingetogen modemeditatie. De show, in een naar een zentuin gemodelleerd decor, begon met een minutenlange meditatiesessie van de ontwerpers. Dat was niet alleen een gimmick; ze zijn tegenwoordig erg bezig met yoga en mindfulness. De schijnbaar onopgemaakte modellen droegen platte sandalen en hooggesloten, vaak wijde jurken van zwart technomateriaal. Sommigen hadden asymmetrische uitstulpingen, of stukken zwart ‘gras’ erop. Nadat ze elk in een andere houding waren gaan zitten, liggen of staan, bleek dat de kleding precies de vorm van die poses had; een van van de modellen verdween zelfs geheel onder de uitgevouwen jurk van een ander. Serene, levende stenen – hopelijk het begin van een nieuwe fase in de carrière van Horsting en Snoeren.

Ook Chanel keek naar het oosten. In het Grand Palais was een compleet vroeg twintigste-eeuws theater opgetrokken, dat eruitzag alsof er een bombardement overheen was gegaan. Tussen de ouderwetse stoelen lagen brokken steen. Toen de verbrande gordijnen op het toneel opengingen, werd een afbeelding van de futuristische skyline van Singapore zichtbaar. Het oosten: een steeds groter afnemer van westerse designermode, en dus de toekomst.

Een silhouet domineerde de show, waar opvallend veel Aziatische modellen in meeliepen: jasjes en jurken met een korte, vrij rechte rok, gedragen met een brede, glanzende heupceintuur en suède lieslaarzen met een korte blokhak en vaak een vierkant hoofddeksel. Ontwerper Karl Lagerfeld had zich uitgeleefd op het materiaal: naast klassieke, luxe tweed waren er geborduurde stoffen, die vaak leken op pixels of op de met tegels bezette gevel van een modern kantoorgebouw.

Jean Paul Gaultier zat met zijn hoofd in 1980, het jaar waarin David Bowie met een clownshoedje op Ashes to ashes zong, schouders breed waren en tailles ingesnoerd. Naast dat silhouet waren panterprints een thema in zijn show; gedrukt op bont en op panty’s, maar ook in het haar. Topstukken: een van veren gemaakte ‘panter’-jas en gewatteerde jasjes die uit gebogen tubes leken te bestaan.

Iris van Herpen, die extreme vormen combineert met bijzondere materiaalexperimenten, liet elf ontwerpen zien, die elk een eigen verhaal vertelden. Op jurken van huidkleurige latex zaten driedimensionale prints van botten en fossielen, een creatie van zacht kunststof ‘bont’ met drakenkopjes leek weggelopen uit Game of Thrones en in een satijnen, groene kimonojas was een driedimensionaal bladdessin uitgesneden. De 3D-geprinte schoenen waren als boomwortels, waar de voeten van de modellen in verstrikt waren geraakt.