In- en uitchecken

De kleine vrouw tegenover me in de trein van Lelystad naar Almere zat aandachtig in Duitse wortels van Laura Starink te lezen, toen de conducteur binnenkwam met een hartelijk uitgesproken „Goedemiddag!”.

Wij mompelden wat terug met de lichte ergernis van mensen die liever niet gestoord worden. De vrouw gaf haar chipkaart, terwijl ze haar boek geopend hield op de plaats waar ze gebleven was. Ze liep tegen de zeventig, een stevig gebouwde vrouw met roodgespoeld haar – het chemische uitstel van het onherroepelijke grijs.

De conducteur controleerde de chipkaart met zijn handcomputer en zei droog: „U heeft niet ingecheckt.” Vervolgens ging hij naast mij en tegenover de vrouw zitten, terwijl hij haar onderzoekend aankeek, alsof hij een misstand had ontdekt die het voortbestaan van NS – en mogelijk ook van ProRail – ernstig bedreigde. Het is een bedrijf geworden waar ze op alles zijn voorbereid – en terecht.

Het gezicht van de vrouw kleurde lichtrood van schaamte. Niemand wil voor een zwartrijder doorgaan, je voelt je een parasiet, of nog erger: een dief. En dat te midden van andere reizigers die er zwijgend het hunne van denken.

„Dat kan niet”, zei de vrouw. Ze vertelde dat ze ’s morgens met de trein vanuit Amsterdam naar Lelystad was gegaan. „Toen ik net terugging vergat ik in te checken, althans, boven op het perron wist ik niet meer zeker of ik het gedaan had. Ik ben de trap afgegaan en heb geprobeerd alsnog in te checken, maar toen verscheen op de display: ‘U kunt hier niet uitchecken’. Ik dacht toen: heb ik me tóch ingecheckt.”

Ik keek naar de conducteur. Zou hij het nog kunnen volgen? Ik was blij dat ik zijn beroep niet gekozen had – om de complicaties van het in- en uitchecken te bevatten moet je een bèta-aanleg hebben. Hij slikte even, maar verder hield hij zich kranig.

„Ik geloof dat ik het begrijp”, zei hij. „U kwam vanmorgen uit Amsterdam?”

„Ja. Daar heb ik wel ingecheckt.”

Hij keek op zijn computer. „Dat kan ik zien. Maar u heeft kennelijk niet uitgecheckt toen u in Lelystad aankwam.”

„Dat zou kunnen”, zei de vrouw, „ik ben me daar niet bewust van geweest.”

„Waar precies hebt u op het station van Lelystad proberen in te checken?”, vroeg de conducteur onbewogen.

„Bij het eerste apparaat dat ik beneden aan de trap tegenkwam.”

De conducteur leek een licht op te gaan in deze voor mij inmiddels volstrekt ondoordringbare duisternis. „Dat was een apparaat waar u alleen kon uitchecken als u ingecheckt had! U had om dat poortje moeten heenlopen en toen bij een ander apparaat moeten inchecken.”

„Wat nu?”, vroeg de vrouw.

„Het is geen opzet geweest”, stelde de conducteur peinzend vast. Zijn toon was bevoogdend geworden, als van een rechter die een taakstraf gaat opleggen. „U kunt twee dingen doen. In Almere uitstappen en inchecken voor een nieuwe rit. Of doorrijden en een boete van 35 euro betalen.”

„Dan stap ik wel in Almere uit. Ik vind het nogal een boete.”

In Almere vloog de vrouw naar buiten, spurtte naar een kaartlezer en rende weer terug naar de trein, die al op vertrekken stond. „Kan ik nog mee?”, riep ze naar de(zelfde) conducteur in de deuropening.

„Als u ingecheckt hebt, kunt u nog mee”, zei hij.

Nóg een geluk dat ze op dat perron geen hartaanval gekregen had. Want alleen wie uitgecheckt heeft, mag voorgoed heengaan.