‘Ben je wel eens bij de psychiater geweest?’

Arnon Grunberg doet verslag vanuit een psychiatrisch ziekenhuis. Deel 8: de doktores.

Jorn, een man van in de twintig, sport veel en als het warm is zit

hij met ontbloot bovenlijf in de zon. Tijdens het voorlezen van deze stukken hebben de patiënten nog geen bezwaar gemaakt, maar op een middag zegt Jorn tegen me: „Jij hebt veel over die Benjamin geschreven, maar hij is niet typisch voor deze afdeling. We zijn hier niet zo raar.”

Gabriël zegt: „Benjamin evangeliseert zijn eigen mafheid.”

En een vriend van Jorn, Dries, merkt op: „Ik zit hier omdat ik te veel jointjes heb gesmoord. Daar word je psychotisch van.” ‘Smoren’ zal wel Vlaams zijn voor roken.

Zou de psychose werkelijk van ‘buiten’ komen, van jointjes? Ik heb de psychose begrepen als een vorm van zelfmedicatie, een poging tot zelfbescherming waarbij de patiënt uitschiet met de dosering – vermoedelijk kun je niet een beetje psychotisch zijn, dan heb je gewoon veel fantasie. De ‘doktores’ wil mij spreken. Zo wordt de psychiater hier genoemd. Mathilde heet ze, een strenge maar emphatische vrouw van begin vijftig. De postnatale depressie is haar specialisme, ze heeft een programma opgezet voor vrouwelijke patiënten met jonge kinderen.

Eerst vertelt ze dat veel patiënten sjoemelen (‘foefelen’) met de medicijnen: „Ze zien kans de medicijnen niet te slikken, zelfs als de verpleegkundige vlak voor hen staat. Als ze weggaan vinden we de hele kamer vol met verstopte tabletten. Veel medicijnen hebben seksuele bijwerkingen. De angst om geen erectie te kunnen krijgen is groter dan de angst voor nog een psychose.”

Dat kan ik goed begrijpen.

Dan zegt de psychiater: „Ik moet je behandelen, je bent nu mijn patiënt. Ben je weleens bij een psychiater geweest?”

„Toen ik 16 was”, antwoord ik. „Omdat ik mijn school niet wilde afmaken.” De heer M. behandelde mij. Hij vroeg me hoe vaak ik masturbeerde, wat ik zelfs voor een psychiater een onbetamelijke vraag vond. Daarom zei ik dat ik daarmee was opgehouden.

„Het streven hier is zeker normaliteit?”, vraag ik. In het algemeen praat ik niet graag over mezelf.

„Om te beginnen is het verschil tussen patiënten en niet-patiënten flinterdun”, zegt de doktores. „En verder moeten patiënten juist niet naar normaliteit streven.”

Ik wil zeggen dat níémand naar normaliteit moet streven, maar dat slik ik in.

(Wordt vervolgd)