Arnon Grunberg

Arnon Grunberg doet verslag vanuit een psychiatrisch ziekenhuis. Vandaag: een cadeau.

Op een middag kom ik naar beneden om tafeltennis te spelen – wij spelen veel tafeltennis of hangen voor de televisie; in plaats van voor de televisie te hangen schrijf ik, misschien is het verschil tussen schrijven en televisiekijken minder groot dan ik geneigd ben te denken.

Een jongen vraagt of ik Arnon ben. Hij zegt dat hij lang op deze afdeling heeft gezeten, dat hij van een andere patiënt gehoord heeft dat ik hier opgenomen ben en dat hij mij iets wil geven.

De jongen heeft kortgeknipt donkerbruin haar en een opvallende oorbel. Hij heet Hans. We gaan aan tafel zitten in de gemeenschappelijke ruimte. Hij heeft een map bij zich.

Hans straalt een ernst uit die ik lang niet ben tegengekomen; we zijn eraan gewend geraakt te veinzen dat wij zelf ook weten hoe belachelijk we zijn.

„Jij hebt in je boek De Mensheid zij geprezen over de grote poppenspeler geschreven. Weet jij wie die poppenspeler is?”, vraagt hij.

Ik heb inderdaad een boek geschreven waarin ‘de grote poppenspeler’ voorkomt.

„De zon”, zegt de jongen. „De zon is de grote poppenspeler. Wij zijn gedachten van de zon.”

„Dat wist ik niet”, zeg ik naar waarheid. Daarna vraag ik: „Waarom ben je niet meer op deze afdeling?”

„Ik ben naar een inrichting gegaan in een stad waar meer te beleven is”, zegt de jongen. „Ik heb politieke en sociale wetenschappen gestudeerd, daarna ecologie. In 2010 was ik sorteerder bij de post. Ik deed twee zelfmoordpogingen. Zo kwam ik hier terecht. Ik deed vroeger aan yoga. Elke dag bracht ik de zonnegroet. Ik groet hem die ons voedt. Ik groet hem die ons liefheeft. Ken je de zonnegroet?”

„Een ex-vriendin van mij deed yoga”, antwoord ik.

„Na mijn zelfmoordpogingen ben ik ermee opgehouden, want ik was boos op de zon.”

Uit zijn mapje haalt de jongen een foto van een vlinder. „Dit is de graphium agamemnon. Vlinders zijn belangrijk voor me. Dit is een cadeautje voor je.”

De ontroering is zo plotseling dat ik moet vechten tegen de tranen. Tegelijkertijd word ik overvallen door de krankzinnige fantasie dat ik de leiding over deze afdeling moet overnemen.

Vanuit hier kan ik eindelijk mijn eigen sekte beginnen.

(Wordt vervolgd)