Troonswisseling valt duurder uit dan begroot

De kosten voor de troonswisseling op 30 april zijn hoger uitgevallen dan was begroot. De uitgaven voor het Rijk liggen nu al ruim zes ton hoger. Daar komt bij dat niet Amsterdam, maar het Rijk waarschijnlijk de inzet van extra politie moet betalen. Het zou daarbij gaan om enkele miljoenen euro‘s.

Dat blijkt uit gegevens die verschillende ministeries en de gemeente Amsterdam aan deze krant hebben verstrekt na een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB).

Premier Rutte stelde vooraf dat de inhuldiging „feestelijk” moest verlopen, „maar met een scherp oog voor de kosten”.Uit een overzicht van het ministerie van Algemene Zaken blijkt dat de voorziene 5,1 miljoen met 628.527 euro is overschreden.

Daarnaast draait het ministerie van Veiligheid en Justitie waarschijnlijk op voor de inzet van ruim 7.300 extra agenten in Amsterdam op 30 april, en nog eens duizenden agenten in de dagen ervoor. Het ministerie is verantwoordelijk voor de nationale politie. Daarom moet het departement volgens de woordvoerders van de gemeente Amsterdam en de hoofdstedelijke politie de kosten van extra politieagenten dragen. De Belgische hoogleraar overheidsfinanciën Herman Matthijs, die onderzoek deed naar de kosten van vorstenhuizen, spreekt van „een serieuze overschrijding”. Hij zegt: „Als alle ministeries hun begroting zo zouden opmaken als hier is gebeurd, had je een gigantisch probleem.”

Het overzicht dat de Rijksvoorlichtingsdienst heeft verstrekt, kent zowel mee- als tegenvallers. De kosten voor de inhuldigingsmedailles ter beloning van mensen die op 30 april extra hard moesten werken, verdubbelden (1 miljoen in plaats van 5 ton). Defensie was 150.000 euro meer kwijt aan extra personeel en de huur van een grote tent in het centrum van Amsterdam. Anderzijds vielen de kosten voor het diner in het Muziektheater aan het IJ voor 850 gasten beduidend lager uit.

De RVD doet geen mededelingen over eventuele bijdrages van het Koninklijk Huis of de persoonlijke kosten van het koningspaar, bijvoorbeeld de japonnen die koningin Máxima op 30 april droeg. De dienst beroept zich op twee uitzonderingsbepalingen in de WOB: bescherming van de persoonlijke levenssfeer, en de kans op „onevenredige benadeling” van betrokkenen, bijvoorbeeld in de vorm van reputatieschade.

Het Grote Verhaal: pagina 10-11