Levens voor cash: een gewone transactie

Tobias Lindholm wil in Kapringen het leven tonen. „Ik vergroot drama niet uit.”

Somalische piraat Omar (Abdihakin Asgar) en Deense kok Mikkel (Pilou Asbaek) in Kapringen

Mannenwerelden filmt hij het liefst. „Wij gedragen ons zo anders als vrouwen er niet bij zijn, of dat nu in een gevangenis is of op de grote vaart.” Tobias Lindholm (36), een jongensachtige, bescheiden Deen, droeg als schrijver van de eerste twee seizoenen sterk bij aan het succes van tv-serie Borgen. „Als we Deense politiek interessant maken, hebben we toch iets goed gedaan”, vermoedt hij. Met de scripts van Submarino en Jagten hielp hij de sinds zijn speelfilmdebuut Festen in de versukkeling geraakte regisseur Thomas Vinterberg uit het dal.

Zelf debuteerde Lindholm als regisseur in 2010 in de Tijgercompetitie van Rotterdam met R, een gevangenisdrama dat met kop en schouders boven de concurrentie uitstak. In Kapringen (Kaping) toont hij de kaping van vrachtschip MV Rozen door de ogen van een kok en de topman van de rederij die zelf de onderhandeling met de Somalische piraten voert.

De film, geïnspireerd op de kaping van de Danica White en de CEC Future in 2007 en 2008, ging in Venetië in première. Lindholm, aldaar: „Ik was direct gefascineerd door het cynisme van dit soort onderhandelingen. Het oogt chaotisch, maar verloopt heel helder en gestructureerd, een schaakspel tussen professionals. En ik wilde altijd al een film op een schip maken. Mijn vader was een zeeman, maar praatte thuis nooit over zijn werk.”

Of het nu in Borgen, R of Kapringen is: u wilt tonen hoe de wereld echt werkt. Het grenst aan journalistiek.

„Ik vind het leven veel rijker en complexer dan mijn verzinsels. Ik wil drama niet uitvergroten, maar juist al het vet van het vlees snijden. Zeelieden als martelaars, piraten als beesten, de CEO als een kille krentenweger: dat is toch oninteressant? Als filmmaker voel ik me een dwerg op de schouders van Ken Loach en de gebroeders Dardenne.”

Door uw focus op realisme en proces heeft de film iets fatalistisch. Het deugt niet, maar het kan niet anders.

„Ik was in eerste plaats geboeid door het spel rond een kaping, en daarna door de trauma’s die dat zeelieden bezorgt. Levens tegen cash als een gewone transactie afwikkelen: dat klinkt extreem cynisch. Toch moet je het zo benaderen. Ik sprak met een Russische reder die op de eerste dag meteen aan de eis van de kapers voldeed en 20 miljoen dollar op tafel legde. Gevolg was dat ze een dag later het dubbele wilden en de zaak alleen maar langer duurde.

„Maar je pokert echt met levens. Grote Deense reders huren daarom professionals in. Die komen van buiten, hebben ervaring, zijn heel koel en precies. Dat moet ook, want ruiken de kapers emotie, dan gaan de eisen meteen omhoog en breng je de bemanning juist in gevaar. Al blijft de CEO in de film natuurlijk niet koel, dat zou nogal oninteressant zijn.”

Uw onderhandelaar, Gary Skjoldmose Poter, is dat in het echte leven ook. Heeft u veel geleerd van hem?

„Natuurlijk, maar hij is niet de enige. Ik wilde in alle opzichten realisme: de film draaien op een echt vrachtschip in de Indische Oceaan, vlakbij piratengebied. Toen we de boot huurden in Mombassa, zei de boordwerktuigkundige: zeg, weet je wel dat wij vorig jaar echt gegijzeld waren? De bemanning had maandenlang vastgezeten, van hen konden we veel leren over het gedrag van piraten. Ze spelen zelf ook mee.

„De telefoongesprekken tussen het schip en het hoofdkwartier namen we live op, met twee filmploegen. Zo krijg je de ruis, de vertragingen, de verwarring en de echo’s. Soms liet ik Søren Malling, die de CEO speelt, langer dan een uur wachten op een telefoontje van Omar, die namens de piraten onderhandelt: om echte spanning en onzekerheid te vangen. Soms liet ik Omar iets totaal onverwachts zeggen.”

Hoe ver dreef u dat realisme door?

„Ver. Zo zitten de mannen opgesloten in een klein kamertje, in het echt zaten ze daar soms ook twee of drie uur te zweten en liet ik nog een zwerm vliegen los.”

Waar haalde u die piraten vandaan?

„Het zijn Somalische vluchtelingen uit Mombassa. Ze werkten al samen als groep, ik heb ze ingehuurd bij hun clanhoofd. Ik wilde Somaliërs niet reduceren tot gezichtloze onmensen, zoals in de film Black Hawk Down. Ik heb alle begrip: ze lijden honger, kinderen sterven, en dan zie je die volle schepen langs de horizon trekken. Al doen ze soms vreselijke dingen, het zijn pionnen. In een scène waarin ze samen met de bemanning vissen, toon ik hun menselijkheid. Maar krijgen ze een bevel, dan schieten ze de Denen natuurlijk wel gewoon dood.”

In zekere zin is dit een historische film. Kapingen in de Indische Oceaan lopen snel terug nu reders wapens inzetten.

„Gewapende huurlingen lossen het probleem voor de reders op, die Somalische jongens ontvoeren nu toeristen van de stranden in Kenia. Op zee wordt de situatie complexer. Stel: je hebt een Russische reder, het schip vaart onder Panamese vlag met Indiase bemanning en Koreaanse lading. Wie is dan verantwoordelijk? Iedereen kan dat afschuiven.”

U bent nu bekend als scriptschrijver én als regisseur. Wat heeft uw voorkeur?

„Regie is zwaar. Ik hou niet zo van mensen en miste mijn gezin vreselijk toen we op dat schip ronddreven. Ik droomde dat ik in mijn kantoor zat te schrijven en koffie nipte. Liefst schrijf ik en regisseer om de drie jaar zelf een film.”