Column

Doorleefd

Maarten van Roozendaal zong veel over de dood, een paar jaar geleden wijdde hij zelfs met Paul de Munnik een heel programma aan dode Nederlandse zangers, zoals Toon Hermans, Frans Halsema, Jules de Corte, Bram Vermeulen, Robert Long en Ramses Shaffy.

Het was een mooi programma met als een van de hoogtepunten Willem Wilminks ‘Dood zijn duurt zo lang’. Het is niet fijn om dood te zijn./ Soms maakt me dat een beetje bang./ Het doet geen pijn om dood te zijn,/ maar dood zijn duurt zo lang./ Als je dood bent, droom je dan?/ En waar droom je dan wel van?

Hij stak er geen sigaret bij op, als ik me goed herinner. Vroeger heb ik hem dat wel zien doen, vooral bij minder formele optredens, zoals in De Roode Bioscoop, een knus theatertje op het Haarlemmerplein in Amsterdam. Ik schreef toen dat hij zijn publiek het gevoel gaf dat hij nog maar één avond te leven had, en dat hij die avond graag met ons wilde delen.

Dat gevoel heb ik altijd gehouden bij zijn optredens. Alles wat hij op het toneel deed, was doorleefd en intens. Hij smeet met zijn krachten en talenten. Het was pathos zonder pose. Hij verzocht de goden, zou je kunnen zeggen, en ze hebben naar hem geluisterd – net als wij.

Van Roozendaal heeft veel interviews gegeven, vooral aan de geschreven pers; van de tv moest hij niet zoveel hebben. Hij kon goed over zichzelf en zijn vak praten, zonder te vervallen in allerlei schaamteloos exhibitionistisch geklets. Een van zijn beste interviews gaf hij in 2008 aan de dichter Victor Schiferli van muziektijdschrift WahWah. Ik licht er het gedeelte uit dat gaat over een van zijn indringende liedjes over de dood: Jij blijft bij mij van de cd En noem het maar vrienden.

Het gaat over de dood van zijn beste jeugdvriendje, Johan. Hij had er nooit over willen schrijven, maar op verzoek van de VPRO deed hij het toch.

Aan het begin hoor je het geroezemoes van een schoolklas en een juffrouw die roept: „Oké, jongens, we gaan vandaag zingen, pak allemaal je boek, bladzijde 52, het gaat over liefde en vriendschap.” En dan zet Van Roozendaal in: Hoor je de kerk, hoor je de klokken/ Hoor je de kinderen uit je klas/ Hoor je dat ze zeggen/ Dat je zo’n leuke jongen was.

Het lied is eerder monotoon dan melodieus, het is een smartelijke bezwering, een aanklacht tegen de dood die verslagen moet worden met het wapen van de herinnering. En zie je daar dat joch van Sengers/ Die sloeg jou altijd in elkaar/ Moet je hem nu zien zitten/ Hij huilt alleen nog maar.

Hij wil zijn vriend duidelijk maken: jij bestaat nog steeds voor mij. Straks word ik groot, dan word jij groot/ ben ik getrouwd, ben jij getrouwd/ En word ik oud, dan word jij oud/ En ga ik dood, ga jij pas dood/ Jij blijft bij mij, gewoon bij mij.

„Er zijn allerlei dingen gebeurd in mijn leven”, vertelde Van Roozendaal aan Schiferli, „maar dit was het meest ingrijpende. Ik was twaalf en het gooide mijn hele wereldbeeld door elkaar. Tot die tijd dacht ik dat er een bepaalde logica zat in dingen. Dat wordt je op zo’n moment dan afgeleerd. Je godsbeeld, als je dat al hebt, kun je in een keer bij het vuilnis zetten. Je weet dat je aan de grilligheid bent overgeleverd. Er is niemand om je te helpen.”

Hij vond dat hij secuur moest zijn in zijn teksten. „Als ik een liedje speel van vier minuten, dan ben jij vier minuten de lul. Je kunt niet even een biertje gaan halen.”

Hij blijft bij ons.