Alles klar?

Hoe komt het dat het economisch zo goed gaat met Duitsland? Daar zijn vijf redenen voor aan te wijzen Premier Rutte en minister Asscher zijn vandaag in Berlijn voor een Europese top over jeugdwerkloosheid

Redacteuren economie

Het gaat bijzonder goed met de Duitse economie.

Duitse consumenten zijn nu optimistischer dan op enig moment in de afgelopen zes jaar. En dat na de grootste overstromingen in meer dan een decennium. Wat een verschil met Nederland: wij verkeren in een bijna permanente strijd om het begrotingstekort onder de 3 procent te krijgen. Met lastenverhogingen en sociaal snoeiwerk. Duitsland stevent ondertussen af op een begrotingsóverschot.

Voor sommige mensen is het slikken. Duitsland is Europees economisch kampioen.

Vandaag proberen Europese regeringsleiders en ministers, onder wie minister-president Rutte en minister Asscher (Sociale Zaken), de kunst van de Duitsers af te kijken op een top in Berlijn over de jeugdwerkloosheid. De werkloosheid onder mensen tot 25 jaar is in de eurozone gestegen tot gemiddeld 23,8 procent.

Decennia achtereen nam Duitsland, ons grote buurland, Nederland economisch op sleeptouw. Niet meer. Duitsland en Nederland zijn ontkoppeld. Tijd om ons af te vragen: Wat doen zij goed? Wat doen wij fout?

Duitsland is niet, zoals de mythe tijdens de eurocrisis wil, het rijkste land van Europa. De Europese Centrale Bank berekende eerder dit jaar dat het gemiddelde vermogen per inwoner in landen als Spanje en Cyprus veel hoger is dan in Duitsland. Duitsland heeft juist gemiddeld een van de laagste vermogens per inwoner van de eurozone.

Maar de oosterburen zijn wel stabiel, betrouwbaar en concurrerend. Daarom kan Berlijn vandaag een leermoment zijn voor Rutte en Asscher.

Vijf punten waarop Duitsland economisch van Nederland verschilt:

1. Ze hebben een stevig ‘sociaal akkoord’

Wij hadden het Akkoord van Wassenaar, een overeenkomst van werkgevers, werknemers en de politiek. Daarmee werd loonmatiging mentaal verankerd in het nationale beleid. Maar dat was in 1982, nu 31 jaar geleden.

In de jaren negentig moest Duitsland de eenwording verteren. Het onproductieve oosten kreeg opeens de lonen en arbeidsvoorwaarden van het westen in de schoot geworpen. Gevolg: de Duitse concurrentiekracht erodeerde.

De Duitse bondskanselier Gerhard Schröder, een sociaal-democraat, greep in. Hij leidde tot en met 2004 de zogenoemde Hartz-hervormingen. De arbeidsvoorwaarden en sociale zekerheid werden drastisch versoberd. De eenjarige duur van de WW, waar Nederland nu pas aan denkt, is in Duitsland al praktijk. Het gevolg: de Duitse loonkosten per eenheid product zijn volgens de OESO, de denktank van de industrielanden, sinds de invoering van de euro met 20 procent gedaald ten opzichte van de belangrijkste exportmarkten. In Nederland stegen ze intussen met 2 procent.

2. Ze maken veel producten zelf

De Duitsers exporteren producten die zij zelf maken. Dat is een cruciaal verschil met Nederland: wij zijn dankzij onze havens (Rotterdam en Schiphol) bij uitstek een doorvoerland van andermans producten. Nederland heeft de zogeheten ‘maakindustrie’ zien verschrompelen – we hebben het opgegeven. Alleen de regio Eindhoven (Philips, chipmachinefabrikant ASML, bussenbouwer VDL) houdt nog dapper stand. Onze export is handel: wel veel volume, maar ondernemers voegen daar weinig extra kwaliteit of innovatie aan toe. Dus: lage opbrengst.

Nee, dan de Duitsers. Zij maken niet alleen kapitaalgoederen en consumentenartikelen, zoals auto’s. Zij voeren hun producten ook uit naar de hele wereld, niet alleen naar de sloom groeiende of stagnerende Europese buurlanden, zoals Nederland, maar juist naar de snelle groeiers buiten Europa. Wie in China een hele meneer is, rijdt in een Duitse auto.

3. Ze leren het van jongs af aan

Duitsland heeft een kenniscultuur. Herr Dokter is geen gratuite aanspreektitel, maar een eerbetoon aan kunde en competentie. Topmanagers met een doctorstitel zijn heel gewoon in het Duitse bedrijfsleven. In Nederland, een handels- en dienstenland bij uitstek, is dat juist een uitzondering.

Duitsland propageert van jongs af aan vakonderwijs. Dat onderstreept het vanzelfsprekende belang van de maakindustrie. Een recent rapport van het Duitsland Instituut en de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid, maakt duidelijk dat de Bondsrepubliek veel geld in onderzoek en ontwikkeling steekt. In crisistijd zelfs extra.

Maar Duitsland is in tegenstelling tot Nederland zuinig met fiscale douceurtjes voor het bedrijfsleven. Duitsland investeert consequent in basaal onderzoek en technologische topinstituten. Niet zozeer in verplichte samenwerking van instituten en universiteiten met het bedrijfsleven, zoals Nederland. Duitsland verandert ook zijn beleid niet voortdurend, zoals hier gebeurt (nu heet het innovatie- en bedrijvenbeleid in Nederland weer topsectorenbeleid).

4. Ze hebben gezonde banken

Duitsland heeft een versnipperd, maar levendig bankenlandschap. Dat had in de kredietcrisis (2008) één groot voordeel: weinig zombiebanken die door de economie doolden. De grootste probleembank heet Hypo Real Estate, een hypotheekbank die juist sterk had geëxpandeerd buiten haar thuismarkt (in Ierland bijvoorbeeld). Buiten Duitsland gaf ook deze bank roekeloos krediet op vastgoed, maar niet op haar thuismarkt. Vandaar ook de beheerste prijsontwikkeling op de huizenmarkt. Terwijl Nederland kampt met de kosten van steunacties en kapitaalinjecties voor alle grote banken op de Rabobank na, heeft Duitsland zijn probleembanken vrij geruisloos afgewikkeld.

De kredieten van spaarbanken en coöperatieve banken zijn blijven stromen naar de zogeheten Mittelstand-bedrijven, de middelgrote familiebedrijven die de kern van de Duitse economie zijn als producent en toeleverancier.

5. Ze hebben geen huizenbubbel

De Duitse woningmarkt geldt steeds meer als voorbeeld voor de Nederlandse. Hypotheken worden er gegeven tot maximaal 80 procent van de waarde van het huis – waarbij die waarde is vastgesteld op basis van een langlopend gemiddelde. Dat verhindert dat recente prijsstijgingen meteen zorgen voor een hogere hypotheekfinanciering. En een opwaartse spiraal wordt ontmoedigd. Spaargeld meenemen dus, als je een huis koopt. En aflossen, want het ideaal is een eigen huis dat uiteindelijk ook werkelijk eigendom is.

De prijzen van huizen zijn in Duitsland dan ook laag. Nederlandse woningen zijn volgens de OESO nog steeds te hoog gewaardeerd, als je kijkt naar de historische ontwikkeling van huren en inkomens (tussen de 10 en 20 procent), maar in Duitsland zijn huizen juist in dezelfde mate óndergewaardeerd.

Staat Duitsland aan de vooravond van zijn eigen huizenhausse, nu het geld uit andere landen daarheen vlucht? Prijsstijgingen van 5 procent en meer, vooral in de grote steden, zijn geen uitzondering. Maar de uiterst conservatieve financiering kan verhinderen dat de zaken, zoals in Nederland, uit de hand lopen.