Alleen de winnaars houden van een ploegentijdrit

Voor Team Belkin was de ploegentijdrit in Nice vooral een kwestie van prestige. Met een zege wordt allang geen rekening meer gehouden.

Team Lampre tijdens de ploegentijdrit over de Promenade des Anglais in start- en finishplaats Nice. De Italiaanse ploeg eindigde als achtste. Foto Reuters

Een veertiende plek, op 37 seconden van de winnaars. Nico Verhoeven van Belkin kan er mee leven. „We hebben geen seconde verspeeld”, zegt de ploegleider in start-en finishplaats Nice. Peter Post zou zich na zo veel tevredenheid omdraaien in zijn graf. Zijn renners gingen eind jaren 70, begin jaren 80 alleen voor de winst. De periode dat Nederlanders de tijdritspecialisten waren, is verleden tijd.

Bij de allereerste ploegentijdrit onder de vlag van Belkin staat deze middag vooral prestige op het spel. In een etappe van 25 kilometer wordt nooit een beslissend verschil gemaakt. Dat weet Louis Delahaye ook. Maar toch verblijft de trainer van de Nederlandse formatie al sinds zaterdag in Nice om de race tot in de puntjes voor te bereiden. „Ik ben het parcours gaan verkennen. Daarna is de tactiek is bepaald”, zegt Delahaye enkele uren voor de start. „Veel meer kun je niet doen. Tijdrijden is vooral een kwestie van gevoel.”

Het trainen van een ploegentijdrit is geen gewoonte in het wielrennen. Al is het maar omdat een Tourteam door het jaar heen zelden in zijn geheel bij elkaar is. Iedere renner heeft zijn eigen programma. „Als de één bezig is met een hoogtestage, is de ander aan het koersen. In het verleden hebben we weleens geoefend op het circuit van Zolder in België”, legt Delahaye uit. „Maar op de dag van een Touretappe is alles anders. Hoe staat de wind? Wie is in vorm?”

Het heeft volgens Delahaye geen zin vooraf een richttijd te bepalen. „Nee, in het tijdrijden bestaan geen schema’s. Je bepaalt vooraf niet hoe hard er gereden wordt. De sterkste renner bepaalt het tempo en de rest moet volgen. Vanuit de volgauto kunnen de ploegleiders via hun oortjes instructies geven. Mijn taak zit erop als de renners starten. Ik kijk dan nog mee vanaf de achterbank.”

In de uren voordat de 22 ploegen aan de vierde etappe zijn begonnen, loopt de spanning langzaam op. De bus van Belkin arriveert ruim twee uur voor de start. De negen renners volgen later met de ploegleiding in vijf personenauto’s. Lars Boom groet zijn vrouw en dochter, die buiten de afzetting op een trapje wachten. Negen verschillend afgestelde zwarte fietsen staan klaar op een rijtje – alle voorzien van een sticker met naam.

Met nog zestig minuten op de klok ontstaat ineens consternatie, als de fietsen bekeken en gewogen moeten worden. De renners van Belkin kunnen als laatsten aansluiten in een rij van 195 fietsen. Gevloek en getier zijn het gevolg. Maar de strakke schema’s komen niet in gevaar. Bij de laatste warming-up krijgen de renners verkoeling van ventilatoren en worden ze besproeid met mineraalwater. Het kan de onrust niet wegnemen. „Niemand kijkt uit naar zo’n rit”, verduidelijkt Delahaye. „Liefhebbers van ploegentijdritten bestaan niet. Alleen voor de winnaars is dit een leuke discipline.”

Vooraf hebben alle renners angst in een vroegtijdig stadium gelost te worden. Sommige renners vinden een ploegentijdrit erger dan de zwaarste bergetappe. Zo’n sliert van negen renners met hun gekromde ruggen lijkt voor de buitenstaander misschien op een geoliede machine, maar van iedereen wordt verwacht dat hij diep in zijn reserves tast. Vroeg afhaken kan fataal zijn. Berucht is het voorbeeld van klimmer Bert Pronk, die in 1980 de ‘Posttrein’ niet meer kon bijhouden en zo veel tijd verloor dat zijn Tour erop zat.

De opstelling van het negental luistert deze dinsdagmiddag daarom nauw. De sterke Lars Boom verricht het meeste kopwerk, gevolgd door Robert Gesink. Het is vooral zaak dat de sterksten achter elkaar bleven rijden om bij aflossingen grote verschillen in tempo te voorkomen. „Je moet met z’n allen het maximaal mogelijke tempo rijden”, legt Laurens ten Dam na de etappe uit. „Dat gaat op gevoel. Niemand kijkt dan op zijn teller van zijn fiets. Vooraf kun je alleen maar hopen dat je niet de slechtste bent of dat je op een verkeerde plek terechtkomt. Ik had één moeilijk moment, toen ik wisselde terwijl de weg omhoog liep. Maar mijn benen waren vandaag goed genoeg om aan te klampen.”

In de laatste vijf kilometer moeten drie renners lossen. Sep Vanmarcke, Maarten Wynants en Tom Leezer eindigen op achterstand. „Als het echt had gemoeten, dan hadden deze drie ook tot het einde meegekund, maar we wilden nog even een laatste goede beurt maken om het tempo nog iets op te schroeven”, legt trainer Delahaye uit. „Dat die drie jongens dan op de koop toenemen dat ze later binnenkomen, is ook een vorm van onbaatzuchtig handelen.”

Dat Belkin-kopman Bauke Mollema 34 seconden op de Britse favoriet Christopher Froome verspeelt, levert geen zorgelijke gezichten bij Mollema op, noch bij de ploegleiding. „Ik heb wat tijd verloren op andere klassementsrenners, maar dat zien we wel in Parijs”, zegt Mollema. Ploegleider Verhoeven: „Vooraf hadden we misschien gehoopt op een hogere klassering. Maar dit was het maximale wat onze ploeg te bieden had. Je wilt in ieder geval voorkomen dat een ploegentijdrit voor een kutgevoel zorgt. Dat is gelukt.”