Column

Alledaagse lompheid

Het hoofd beveiliging fietste mee. Hij trok intussen hard aan een sigaret. Rond zijn pols droeg hij, orthodox christen, een leren armband met kruis. We reden van de Utrechtse rechtbank naar zijn museum Catharijneconvent, waar hij me de teruggevonden monstrans nog even zou laten zien. Een grote, melancholiek ogende man, die vroeg of ik zijn naam niet opschreef. Het hoofd beveiliging voelde zich niet veilig meer.

In de rechtbank, bij een regiezitting in de zaak van de monstrans, genaamd ‘het Boompje’, maakte ook hoofd collectiebeheer Sieske Binnendijk gisteren nog altijd een wat aangeslagen indruk.

Eind januari, om half drie ’s middags, ramde een man in bivakmuts met een enorme hamer in twee minuten de vitrine van de achttiende-eeuwse monstrans kapot, en griste hij de met diamanten versierde pronkhouder voor een rooms-katholiek gewijde hostie mee (‘het lichaam van Christus’). „Ontzettend bedreigend”, zei Binnendijk, bijna verontschuldigend: „In ons museum komen graag oude mensen. Hoe die achter de vitrines kropen toen het gebeurde: huilende oude mensen.”

De hamerman werd opgewacht door een man met scooter, daarna door twee mannen in een auto. Twee weken later hield de politie drie mannen in een auto aan – met de monstrans. Deze drie zaten nu in de rechtszaal: Ruud T. (29) wordt ervan verdacht de man met de hamer te zijn; Fadil A. (21) zou hem met de scooter hebben opgewacht; Marco K. (25) zat waarschijnlijk in de vluchtauto. Een broer van Marco, vermoedelijk ook in de eerste auto, is vorige week aangehouden.

Fadil keek blanco bij binnenkomst, Marco wierp een elegant kushandje naar zijn familie, Ruud verzond met getuite lippen smakkende zoentjes. Daarmee hadden we hun gevoelige kant wel gehad – al probeerde Marco’s raadsman de rechters wijs te maken dat zijn cliënt tot de inhoudelijke behandeling op 5 september uit voorarrest moest, omdat de cel hem ‘haaruitval’ van ellende gaf. Hun hoofden waren kaalgeschoren. Alle drie oogden eerder hard: weinig nek, veel loerend rondkijken.

De kusjes werden in ontvangst genomen door een assertieve, Utrechts pratende schoonmoeder en de dito vriendinnen. Mooie meiden.

Het aplomb van verdachten en aanhang deed nogal denken aan het amorele gedrag dat ik jaren geleden zag onder de aanhang van een paar grote drugscriminelen – tijdens een langdurige rechtszaak tegen een stel voormalige kompanen van drugsbaron Klaas Bruinsma. Maar toen opereerden zware criminelen nog bij voorkeur binnen hun eigen wereld. En kunstrovers leken nog gentlemen – hun werk was iets voor ’s nachts, dansend tussen beveiliging van laserstralen.

In zijn nu alledaags geworden lompheid was de roof van de monstrans, zo van dichtbij bekeken, eigenlijk al aangrijpender dan die rechtszaak toen. Hier was alles weerloos. Niets meer van waarde. Nergens nog schaamte.

Margriet Oostveen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Arjen van Veelen.