Trekvogels

Schrijfster Pia de Jong is met haar gezin verhuisd van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft wekelijks over wat haar opvalt.

De grote uittocht is begonnen. Princeton maakt zich op voor de zomer, wanneer duidelijk wordt dat het hier een groot moeras is. Als je je het even kunt permitteren, vermijd je de muggen, de klamme hitte en de drukkende nachten waarin miljoenen krekels je wakker houden.

De welgestelden hebben een zomerhuis elders, waar het aangenaam koel is. Bankieren kun je tenslotte net zo goed vanaf de veranda doen met een groot glas ijsthee. Net als schrijven of een wiskundige stelling bewijzen. De universiteit is gesloten, het instituut verlaten. Studenten gaan naar hun ouders, wetenschappers naar hun zomerscholen en conferenties. Het zijn allemaal trekvogels, die op een septemberdag zullen terugkeren om hun oude leven als vanzelfsprekend weer op te pakken.

Mijn buurman, een schrijver, is al weken bezig met het aanstaande vertrek naar zijn zomerhuis in Montana. Nieuwe banden op zijn auto, eindeloos afscheid nemen van vrienden. Twaalf boekendozen heeft hij per exprespost vooruitgestuurd. Hij vertoont de rusteloosheid van mensen die lange tijd van huis gaan. Nog een laatste keer bezoekt hij zijn vertrouwde kapper. Niet dat het nodig is, maar hij mist de buurtroddel al op voorhand. Een paar dagen terug had hij zich verwond met scheren. Niet ernstig, enkele druppels bloed, maar toch een lelijke kras.

Vandaag is eindelijk de grote dag aangebroken. Vroeg in de ochtend komt hij me een appeltaart brengen, als troost voor de treurige achterblijver. Maar ik ben welkom, daar niet van, in zijn zomerranch, waar ik kan wandelen, paardrijden en zwemmen in de uitgestrekte meren. Montana is een paradijs, benadrukt hij, werkelijk waar. In de stilte van de natuur gaat hij zijn boek afschrijven. Elke dag vier uur werken, in opperste concentratie. Moet ik ook doen.

Omdat zijn hond niet in het vliegtuig durft, rijdt buurman er zelf heen, 2.200 mijl die hij in vier dagen wil gaan afleggen.

Nog een laatste keer loopt hij rond zijn huis voordat hij het afsluit. Hij lijkt te dralen en controleert de deur nog eens. Misschien dat hij ergens diep van binnen toch liever thuisblijft. Het geruststellende van het vertrouwde. Maar hij herpakt zich.

„Ik voel me net Humbert Humbert op de vlucht”, zegt hij voor hij instapt. „Maar dan met een hond, in plaats van een Lolita. Zestig jaar na dato, dezelfde route richting het westen, inclusief de overnachtingen in de goedkope Sunset Motels en Comfy Cabins.” Hij veegt het zweet van zijn voorhoofd, kruipt achter het stuur en start de motor. „Ze hebben iets, die wegmotels waar geen sterrenhotel tegen op kan.” Zijn hond heeft zich ondertussen op de achterbank genesteld.

„Ik doe dit al voor de veertiende keer op rij”, gaat hij verder. „Ik stuur je een foto. En het adres, voor als je je bedenkt.”

Ik zie hem voor me, lange uren turen op de snelweg en dan stilhouden bij zo’n neon motelbord waarvan één letter niet oplicht. Uitstappen en bij een kauwgom kauwende vrouw informeren of hij en zijn hond welkom zijn. Zonder iets te zeggen kwakt ze een sleutel op de plakkerige toonbank waar een vergeten kop koffie op staat.

2.200 mijl om zich weer te herenigen met zijn boeken.

Princeton wordt met de dag warmer en ook rustiger. Ik strek me uit op de bank met Nabokovs Lolita, begeleid door het zoemen van de airconditioning.