Kabinet betuigt opnieuw spijt over slavernij

Geen excuses, wel „diepe spijt en berouw”. Dat is de formulering die het kabinet-Rutte II kiest voor de omgang met het Nederlandse slavernijverleden. Vicepremier Asscher sprak gisteren in het Amsterdamse Oosterpark bij de herdenking van de afschaffing van de slavernij door Nederland, op 1 juli 1863. Letterlijk zei hij: „Ik sta hier vandaag namens de Nederlandse regering en kijk terug op deze schandvlek in onze geschiedenis. Ik kijk terug en betuig diepe spijt en berouw over hoe Nederland is omgegaan met de menselijke waardigheid.”

Woorden wegen zwaar als het gaat om slavernij. Veel Surinamers hadden vooraf wellicht niet de verwachting, maar wel de hoop, dat de regering een stap verder zou gaan dan de eerdere formulering.

Die dateert uit september 2001, toen toenmalig minister Roger van Boxtel een korte verklaring uitsprak op een VN-conferentie tegen racisme in Durban, Zuid-Afrika. Hij zei toen: „We express deep remorse about the enslavement and slave trade that took place.” Zijn ‘deep remorse’ wordt doorgaans vertaald als ‘diepe spijt, neigend naar berouw’. Men zou dus kunnen concluderen dat Nederland de laatste twaalf jaar is geëvolueerd van een neiging tot naar expliciet berouw.

Voor een deel van de Surinaamse gemeenschap is het niet genoeg. Zij wil formele excuses, als erkenning van het ‘gedeeld verleden’. Ook Joan Ferrier, voorzitter van de Stichting Herdenking Slavernijverleden 2013, sprak vorige week in de Tweede Kamer deze wens uit. Gevraagd naar het verschil tussen spijt en excuses zei Ferrier: „Spijt is iets persoonlijks, excuses is van staatswege.” In de Amsterdamse Stadsschouwburg toonde Ferrier zich gisteravond toch tevreden over de regeringswoorden, met name omdat die nu op Nederlands grondgebied zijn uitgesproken.

In Paramaribo heeft president Bouterse het Surinaamse volk opgeroepen Nederland te vergeven voor „de martelingen en mensonterende zaken” tijdens de slavernij. Bouterse sprak gisteravond ter ere van 150 jaar afschaffing van de slavernij. Hij riep zijn enthousiaste gehoor op om vooruit te kijken. „Wanneer we met haat en wrok in ons hart door blijven gaan, is er geen plaats voor vooruitgang en liefde. We hebben elkaar nodig.”