Je vrienden verliezen en slepen met tassen

Asielzoekers moeten vaak verhuizen al naar gelang hun procedure vordert. Voor de kinderen is dat moeilijk. Yasir mist zijn vrienden uit Winschoten.

De zestienjarige Yasir Mohamed Awadhi is de tel een beetje kwijt. Acht, misschien wel tien keer werd hij tijdens zijn inmiddels tienjarig verblijf in Nederland gedwongen te verhuizen.

In zijn kamertje in het in een onbestemd gebied tussen Katwijk, Leiden en Wassenaar gelegen opvangcentrum somt hij droogjes de plaatsen op waar hij – soms meerdere keren – verbleef sinds hij in 2003 met zijn moeder en één maand oude broertje vanuit de Somalische havenstad Kiamboni naar Nederland vluchtte. Hij begon in Brabant, stuiterde in de provincie Groningen tussen de plaatsen Ter Apel, Groningen en Winschoten en zit nu al twee jaar in Zuid-Holland.

Yasir is één van de vierduizend kinderen die in asielcentra verblijven. Gemiddeld een keer per jaar moeten zij verhuizen. Bij elke fase in hun procedure hoort weer een ander type opvanglocatie. Maar er moeten ook steeds centra sluiten, omdat mensen vertrekken, en omdat het aantal asielzoekers steeds wisselt.

Yasir praat er in het algemeen volwassen nuchter over maar prettig is het allerminst. Zoals die keer toen zijn nu 37-jarige moeder weigerde vrijwillig naar het uitzetcentrum in Ter Apel te gaan omdat ze geen verblijfsvergunning zouden krijgen. „We zijn toen halsoverkop met koffers en tassen met trein en tram naar kennissen in Rotterdam vertrokken. En maar slepen met bagage en steeds denken: voor dat reisgeld hadden we ook eten kunnen kopen”, vertelt Yasir. Of die keer dat ze in de winter op straat stonden. „Vreselijk.”

Het vele verhuizen is volgens kinderrechtenorganisaties extra ontwrichtend, zo staat in het Jaarbericht Kinderrechten 2013 dat ze vandaag in de Kamer aanbieden, omdat asielzoekerskinderen al via een doorgaans traumatische vlucht in Nederland zijn gekomen.

Yasir zegt door mensensmokkelaars in een bootje naar Egypte te zijn gebracht. Vader bleef achter. In Egypte verstopte hij zich met zijn net geboren broertje en moeder in een vrachtschip en kwam in Nederland terecht. „Van die vlucht weet ik niet veel meer omdat ik steeds in het ruim zat. Maar die oude problemen werden ook al snel overschaduwd door de enorme moeilijkheden die we in Nederland kregen. Het leed hier was erger dan de ellende van Somalië.”

Yasir maakt een schrandere indruk. Maar door het verkassen bleven zijn schoolprestaties onder de maat. „Mijn moeder werd hier door alle stress zwaar depressief. Vorig jaar kreeg ze een hartinfarct. Ik moest al jong leren koken en veel voor mijn broertje zorgen. Ik spijbelde soms van school en moest vaak klassen overdoen”, zegt Yasir. En soms werd het schier onmogelijke van hem gevraagd. „In Ter Apel moest ik om 5 uur opstaan. Om 6.15 nam ik de bus naar school in Groningen, twee uur heen en twee uur terug. Ik was toen 14, het was niet vol te houden.”

Eigenlijk kende Yasir maar één plek waar hij in Nederland gelukkig was. In Winschoten was het opvangcentrum naast een normale school. „Daar kon ik gewoon kind zijn en buiten spelen. Zelfs mijn moeder zag ik daar lachen.” Hij kon er vier jaar blijven en raakte bevriend met een Nederlandse jongen. „Hij nam me vaak mee naar zijn opa en oma. Ik leerde er de website spelen.nl kennen, en Play Station spelen.”

In Katwijk woont Yasir in een zogeheten gezinslocatie tussen voornamelijk Somalische, Chinese, Armeense en Afghaanse asielzoekers met kinderen. „Mensen hebben hier allemaal stress en dat reageren ze op elkaar af. Als iemand vindt dat een ander te lang in de keuken bezig is of de wasmachine te veel gebruikt, kan er al ruzie ontstaan.”

Onlangs heeft Yasir op het Andreas College in Katwijk een vmbo-diploma behaald. Het wachten is nu op een verblijfsvergunning op grond van de kinderpardon-regeling. Kinderen van asielzoekers die langer dan vijf jaar in Nederland wonen voordat ze 18 jaar worden, krijgen een verblijfsvergunning.

Yasir kan niet wachten op de dag dat hij dankzij dat papiertje „niet langer voortdurend mijn leven in handen van anderen moet leggen”. Hij wil met moeder en broer naar Oegstgeest. „Lekker rustig, een stad zonder problemen.” In Den Haag wil hij een beroepsopleiding marketing en communicatie doen. „Ik wil de handel in. Autodealer worden, een eigen bedrijf. Niet langer afhankelijk zijn.”