Ik ben een fucking mongool! ik stotter En

Een dansvoorstelling met verstandelijk gehandicapten, is dat uitbuiting? Choreograaf Jérôme Bel verdeelt met zijn nieuwe show wereldwijd de meningen Het stuk is dit weekend te zien op Julidans

Medewerker Dans

‘Waarom moet ik hiernaar kijken?” Die ontnuchterende vraag komt onverwacht en is afkomstig van een studentikoos ogende bezoeker van Disabled Theater tijdens het festival Theater Treffen vorige maand in Berlijn. Het nagesprek was tot dan toe warm en waarderend van toon, met voor de hand liggende vragen aan spelers en regisseur zoals die in elke aftertalk worden gesteld. In hoeverre ligt de voorstelling vast, is het niet vervelend dat het publiek na elk nummer zo joelt, was het werkproces met deze mensen heel anders?

‘Deze mensen’ – het is de standaardbeschrijving voor mensen die anders zijn, mensen met een verstandelijke handicap. Een beleefde formulering, maar tegelijkertijd een uitdrukking van ongemak. Niet toevallig is ongemakkelijk dan ook het woord dat vaak wordt gebruikt voor Disabled Theater, want behalve professionele (betaalde) performers zijn de dansers/acteurs van het gezelschap uit Zürich geestelijk gehandicapt. Ze hebben een ontwikkelingsstoornis, een leerachterstand of, zoals Damian (21, artistiek baardje) het tijdens het voorstelrondje uitlegt: „Eén chromosoom meer dan jullie in het publiek.” Dat heet trisomie 21, doceert hij, beter bekend als downsyndroom. Lorraine (43), die even later opstaat uit een van de kuipstoeltjes die in een rijtje op het kale toneel staan, is minder omfloerst: „Ik ben mongoloïde. Ik ben een fucking mongool! En ik stotter. Het doet pijn.”

Lorraine en Damian zijn twee van de elf spelers in Disabled Theater en zullen zich volgende week in Amsterdam aan het publiek van Julidans voorstellen. Zürich, Seoul, Boedapest, Milaan, Hamburg en Linz hebben dan al met hen kennisgemaakt, Wenen, Warschau, Stockholm, Helsinki, New York en Parijs zullen later dit jaar volgen.

Een indrukwekkende, internationale speellijst, want regisseur/choreograaf Bel is wat men noemt een festivallieveling. Maar daar heeft de studentikoze vragensteller maling aan. „Mensen die alleen maar zeggen wie ze zijn”, twijfelt hij hardop, „dat is toch geen voorstelling. Elke performatieve kwaliteit ontbreekt. Ik zie de artistieke meerwaarde niet”. Zijn oprechte scepsis staat in contrast met het merendeel van de publieksreacties die, soms enigszins overtrokken, uitdrukking geven aan ‘dankbaarheid’ en hoog opgeven van de „Musikalität und Expression” van ‘deze mensen’, zoals een dame het verwoordt.

Circusdieren

De reacties op Disabled Theater lopen ook internationaal uiteen. In Seoul werd het publiek, dat een dansvoorstelling verwachtte, volkomen op het verkeerde been gezet. Op de website van Theater Hora vertelt een jonge Koreaan wat het met hem heeft gedaan: „Het is een voorstelling die aanzet tot zelfreflectie.”

Hij slaat de spijker op zijn kop. Wie Lorraine, Remo, Tiziana, Julia, Matthias B. en Matthias G., Miranda, Damian, Gianni, Sara en Peter gedurende anderhalf uur heeft gadegeslagen kan niet anders dan vragen stellen. Je ziet ze lopen, zitten, wachten, zich vervelen, dansen en vertellen wat zij zelf van de voorstelling vinden. „Super!” zegt een speler. „Maar mijn ouders vonden het niks. Mijn zusje zat na afloop in de auto te huilen. Jullie zijn circusdieren, zei ze.”

Vragen over de voorstelling zelf, over theater in het algemeen, de keuzes die Bel heeft gemaakt – is hier eigenlijk geen sprake van exploitatie? En vragen over Peter. Peter, de kale vijftiger die nauwelijks verstaanbare woorden uitstoot: „Ja! Theater. Goed. Engels. Gianni.” Peter die een minuut weet op te rekken tot zeker vijf keer de normale lengte, Peter die met zijn geestelijke chaos een ontregelende factor is, en daardoor aandoenlijk grappig. Maar mogen we wel om Peter lachen? Hebben we niet altijd geleerd dat je niet om ‘deze mensen’ mag lachen, sterker nog, dat je vooral niet te lang naar ze mag kijken? Maar ze staan toch op het toneel? Moeten we dan extra hard lachen en applaudisseren om alles wat vagelijk grappig is of op dans lijkt (wat een deel van het publiek doet)? Of is dat in wezen ook een uiting van ongemak?

Vragen dus over onze eigen houding ten opzichte van mensen met een verstandelijke handicap, bij wie puur esthetische normen niet of in elk geval verminderd toepasbaar zijn.

In die stortvloed van vragen manifesteren zich de door de kritische jongeman uit het Berlijnse publiek verlangde artistieke meerwaarde én het auteurschap van Jérôme Bel. De 48-jarige Franse choreograaf/regisseur is een van de belangrijkste ‘conceptuelen’ binnen de hedendaagse dans. Sinds hij een kleine twintig jaar geleden zijn eerste voorstelling presenteerde, deconstrueert en bevraagt hij het fenomeen theater. In een van zijn grootste successen, The Show Must Go On (2001), illustreerde hij de basiselementen van theatervoorstellingen bijvoorbeeld aan de hand van populaire liedjes. Tijdens ‘Let the Sun Shine In’ (uit de musical Hair) lichtte het lege toneel langzaam op, op ‘I Like to Move It’ (Reel 2 Real) toonden de performers hun (dans-)lust – met als blikvanger de danser die zijn geslachtsdeel ritmisch op de beat liet zwieren, terwijl intussen John Lennon ‘Imagine’ zong. Aan de toeschouwer de taak zich hier iets bij voor te stellen. Dat laatste is kenmerkend voor Bel: de relatie tussen toneel en de actief meedenkende toeschouwer is een essentieel onderdeel van de rituele ontmoeting die theater volgens Bel is.

Met dergelijke voorstellingen wordt hij door sommigen bewonderd als denker onder de choreografen. Anderen zien vooral intellectuele flauwiteiten en voor weer anderen is hij een „non-choreograaf die non-dans maakt die bij voorkeur door non-dansers op toneel wordt gebracht”, zoals een journalist van de Franse krant La Croix het formuleerde.

Dat is in zekere zin geen slechte omschrijving van Disabled Theater. Bel is geen traditionele choreograaf, en tijdens het nagesprek in Berlijn vertelt hij hoe hij tijdens het creatieproces tot de ontdekking kwam dat hij eigenlijk niets moest doen. „Vier weken heb ik verspild met pogingen de dansers te perverteren met hedendaagse dans en muziek. Ik heb geprobeerd mijn werk te doen, te regisseren, dingen te veranderen, maar dat was fout. Ik moest juist laten zien hoe ze zijn.”

Voor iemand uit de danswereld, waar alles vastligt en heel precies wordt getimed en gerepeteerd, was het repetitieproces vooral een oefening in loslaten, zegt hij. Daardoor ziet hij nu elke avond een andere voorstelling. „Twintig jaar lang heb ik me beziggehouden met de vraag wat optreden is, echt performen. Niet gewoon herhalen wat is afgesproken, maar in het moment zijn. In theorie is dat de grootste kracht van het theater. Zij doen dat van nature. Ik vind die transparantie fascinerend.”

Toch ligt de tekst, op de improvisaties van Peter na, van begin tot einde vast. En ook grappen die bij toeval zijn ontstaan worden elke avond steevast gemaakt. De mollige Julia legt dus iedere voorstelling na haar dans op een nummer van Michael Jackson (uiteraard inclusief enige kruisbetastingen) met het gebaar van een uitgeputte diva haar benen in de schoot van de reusachtige knuffelbeer Remo.

Gianni’s klacht dat zijn danssolo niet door Bel werd geselecteerd, levert niet alleen een geestige en ontroerende scène op, maar vestigt ook de aandacht op een ongemakkelijke waarheid. Die tilt Disabled Theater definitief uit boven de status van een theatrale Jostiband. „Mijn werk als regisseur bestaat voor een groot deel uit kiezen. Van de elf solo’s selecteerde ik zeven. De beste. Toen Gianni zich beklaagde, realiseerde ik me dat dergelijke keuzes uitsluiting voortbrengen.”

Ongekunsteld

In onze huidige cultuur, vervolgt Bel, krijgen we een ideaalbeeld voorgespiegeld van mooie, sterke, perfecte mensen. Ook in het theater: mensen vinden het fijn zich te identificeren met Brad Pitt et cetera. „Dat verklaart waarom geestelijk gehandicapten niet in het publieke domein zijn vertegenwoordigd. Het is bijna subversief om deze mensen in het theater te laten zien zoals ze zijn. Die zichtbaarheid, of liever gezegd onzichtbaarheid, vind ik interessant. Het is een politieke kwestie en vormt het bewijs dat onze verhouding met geestelijk gehandicapten problematisch is.”

Des te opmerkelijker is het dat de voorstelling juist in de wereld van het gehandicaptentheater wrevel oproept. Jaloezie, vermoedt Katharina Fritzsche van het Theater Treffen: „Die denken: wij zijn potverdorie al jaren bezig, en daar komt ineens ene Jérôme Bel die eigenlijk helemaal niets met die mensen doet, maar wel internationale aandacht krijgt. Dat is lastig te verteren. De critici, aan de andere kant, zijn weg van de voorstelling.”

Dergelijke controverse is koren op Bels molen; liever hardop uitgesproken vragen en reacties dan een passief en afwachtend publiek. Tijdens het nagesprek volgt hij aandachtig de opmerkingen uit de zaal. In imitatie van Rodins Denker, laat hij vragen een halve minuut op zich inwerken voor hij antwoordt. Groter contrast tussen dit charmante toneelstukje en de volkomen ongekunsteldheid van zijn spelers is nauwelijks denkbaar.

Disabled Theatre is vrijdag en zaterdag te zien in de Grote Zaal van de Amsterdamse Stadsschouwburg.