Hoeveel Corsica kan een mens verdragen?

H oeveel Corsica kan een mens verdragen? De drie dagen dat de Tourkaravaan als een veelkleurige slang over het Franse eiland kronkelde werd de tv-kijker bedolven onder een lawine aan landschapsschoon. Corsica is een koppige rots in een blauwe oneindigheid. Kijkend naar de eerste rit dacht ik: hier moet ik een keer naar toe. Tijdens de tweede etappe overviel me het gevoel door een reisgids te bladeren met iets te mooie plaatjes. Na de derde etappe wist ik het zeker. Corsica? Nooit. Ik was verzadigd.

Nu had de regisseur alle tijd om met vergezichten en helikoptershots te strooien. Het stramien van de koers had weinig om het lijf. Ontsnappinkje van een paar coureurs in de eerste kilometer. Controle door het peloton dat de ongelukkigen op schootsafstand hield. En zo kabbelde het voort met de dynamiek van een stille tocht. Het meest opwindende was de tegenzin en spijt op de gezichten van de koplopers: zijn we er alweer ingestonken. Zaterdag mislukte een poging zich te laten inlopen jammerlijk. Het peloton stond het niet toe.

Op Corsica werden we getrakteerd op drie verontrustend korte finales: alleen de laatste vijftien kilometer werd er stevig gekoerst.

Als ik me verveel switch ik graag tussen de televisiekanalen. Dezelfde plaatsjes, maar andere stemmen en theorieën. Een ding werd mij snel duidelijk: op Corsica hadden de verslaggevers veel moeilijker dan de renners. Maandagmiddag belandde ik bij de VRT waar Michel Wuyts en analist José de Cauwer de kijker probeerden wakker te houden. Besproken werd een interview dat de intussen bejaarde Spaanse klimmer en Tourheld Féderico Bahamontes, bijgenaamd ‘Adelaar van Toledo’, aan een Franse krant had gegeven.

Bahamontes was bepaald niet ingenomen met de hedendaagse koerswijze. Net onder de top van de laatste col vallen ze aan. Hijzelf vertrok vroeger met nog drie, vier beklimmingen voor de boeg. Kort gezegd, een etappe of een hele Tour winnen is prachtig, maar in zijn tijd ging het er vooral om dat met overtuiging gewonnen werd. Dit was koren op de molen van koersminnaar Michel Wuyts. Ondanks de euforie van een Belgische ritwinnaar op zondag met bijbehorende gele trui klonk het als een wanhoopskreet: „Maar waarnaar in godsnaam zitten we nu al uren te turen?”

Ex-renner José de Cauwer was aardser in de duiding: generaties laten zich niet met elkaar vergelijken. De wielersport is mondialer geworden. Sterke ploegblokken kunnen de koers beter controleren. Conditionele en mentale pieken zijn programmeerbaar; avonturiers zijn ongewenst. Helaas is het management van de wielerploegen niet bezwangerd met weemoed naar heroïek maar met een hang naar efficiëntie.

Ik kan het moeilijk duiden, maar iets in me zegt dat het claustrofobisch koersen op Corsica ontaardt in een prettige chaos op het vasteland.