Hij gaf hart en ziel een doorleefde stem

Zijn liedjes, parlando gezongen op grillige melodieën, waren een genre op zich. Soms vilein, soms liefdevol maar altijd gulzig.

Maarten van Roozendaal in 2010. Foto Bart Mühl

Zijn overlijden was al aangekondigd. In februari werd bekendgemaakt dat Maarten van Roozendaal wegens een ongeneeslijke ziekte niet meer kon optreden. Zijn tournee werd stopgezet. Het bericht werd op zijn verzoek geserreerd naar buiten gebracht, maar de schok was des te groter.

En nu is hij, 51 jaar oud, gestorven. Hij was, zei de jury die hem in 2001 de Annie M.G. Schmidtprijs voor het beste theaterlied van het jaar toekende voor het vurige Red mij niet, „een weldadig emotionele explosie van tekst, muziek en optreden”.

Zijn liedjes vormden een genre op zichzelf: doorleefde spreektaal op grillig meanderende melodieën, vaak tegen het parlando aan, waarin hij hart en ziel een stem gaf. Soms vilein, soms liefdevol, maar altijd zo gulzig en met zo veel inzet dat elk nummer de essentie leek van wat hij op dat moment te zeggen had.

Het liedje Red mij niet was daarvan een excellent voorbeeld. Het begint met een ietwat raadselachtige opsomming van rituelen die langzaam maar zeker herkenbaar worden als de uitingen van diverse geloven. Iedereen mag doen wat hij wil, zingt de zanger – een kaars branden, een rare muts opzetten, briefjes in een muur duwen, een paarse jurk aantrekken, alles. Zo lang men hem er maar niet mee lastigvalt. Hij wenst niet te worden gered, hun hemel is voor hem een hel, hij wil er niets mee te maken hebben.

Hij belijdt, hartstochtelijk en hautain tegelijk, de individuele vrijheid in een wereld vol fanatici met hun opdringerige geloven:

„Laat mij mijn kont tegen de krib laat mij dit goddeloze lied hef jij je handen maar ten hemel maar red mij niet”.

Ogenschijnlijk kwam Maarten van Roozendaal uit het niets, toen hij in 1994 het Amsterdams Kleinkunstfestival won. Hij zat als een nachtvlinder aan de vleugel, zijn schrale lijf gehuld in een zwart pak met wit overhemd, een sigaret waarvan de rook in het zwart naar boven kringelde, zijn kaak gestoppeld en zijn grote mond vol hypochondrische liedjes over Weltschmerz en stomme pech, draaglijk gemaakt door een wrang soort ironie.

Hij kwam uit Heiloo, uit een burgerlijk milieu, maar had een losgeslagen leven achter de rug dat in een paar trefwoorden te vangen was: drank en drugs, kroeg en goot, lanterfanten en dolen.

„Het was wanhoop”, zei hij in deze krant, „ik wist helemaal niet meer waar ik het zoeken moest.”

Pas rond zijn dertigste kwam hij op het idee een poète maudit te worden, die liedjes aan de piano zong: „Ik wist dat ik moest opvallen en dat heb ik gedaan door cowboylaarzen aan te trekken, een pinkelhoutje te dragen en nog harder te schreeuwen dan ik toch al deed. Ik was de passiezanger en daar heb ik nog een schepje bovenop gedaan.”

Allengs verdween die pathetische pose, om ruimte te maken voor zijn eigen geluid. Ook de vergelijking met grote voorgangers als Brel, Waits en Shaffy bleef steeds vaker achterwege. Van Roozendaal bleek geen navolger te zijn; hij was zichzelf.

In bijna twintig jaar tijd maakte hij tien soloprogramma’s en werkte aan nog zo’n tien andere gelegenheidsprogramma’s mee, zoals het respectvolle Heimwee naar de hemel waarin hij samen met Paul de Munnik nummers zong van overleden liedjesmakers.

Zijn belangrijkste prijs was de Poelifinario voor de beste cabaretvoorstelling van het jaar, die hij in 2008 in ontvangst mocht nemen voor Het wilde westen. Tijdens de uitreiking droeg hij die prijs op aan Ramses Shaffy, Freek de Jonge en Bram Vermeulen die hij zijn grote voorbeelden noemde. Vorig jaar werd Van Roozendaal opnieuw voor een Poelifinario genomineerd, ditmaal voor De gemene deler, het programma dat uiteindelijk zijn laatste is geworden.

Wat hij naliet is een hoogstpersoonlijk oeuvre.

Niemand zong zoals hij.