Geen dollartekens in de ogen

Het Amerikaanse kantoor Jones Day kwam in februari naar Nederland. Het bureau speelt hier een bescheiden rol in de zakelijke advocatuur, maar het wil hard groeien en verraste met enkele spraakmakende transfers.

Als headhunters hem belden, zei hij standaard nee. Topadvocaat Johan Kleyn (63) wilde niet praten. Maar toen kwam dat ene telefoontje: en wat als het een Amerikaans kantoor is? In dat geval, zei Kleyn, is de deur gesloten maar niet op slot.

Anderhalve week geleden kwam de aankondiging. Kleyn verraste zijn kantoor Allen & Overy en de hele zakelijke advocatuur door over te stappen naar het Amerikaanse Jones Day, dat in februari een kantoor opende in Amsterdam.

Hij heeft veel met de Amerikaanse advocatuur, legt Kleyn uit. Hij studeerde en werkte in New York, en bewondert de juridische cultuur. „De advocatuur heeft een brede basis in de Amerikaanse samenleving, zowel financieel als politiek. De Clintons, de Obama’s: allemaal hebben ze een achtergrond bij een van de grote kantoren. De invloed van advocaten is groot. Ze worden betrokken bij strategische beslissingen op het hoogste niveau.”

Dertien jaar lang was Kleyn verbonden aan het Engelse Allen & Overy, waar hij ondernemingen adviseerde over overnames en procedeerde over ondernemingsrechtelijke geschillen. Hij trad op in spraakmakende zaken als de overnames van ABN Amro, VastNed en Crucell en de beursgang van Ajax, Vodafone en SNS Reaal.

Met Kleyn stappen ook procesrechtadvocaat Gerjanne te Winkel en overnamespecialist Floris Pierik over naar de Amerikaanse concurrent. Of hun cliënten ook meegaan, is onduidelijk. ABN Amro wil hierover geen uitspraak doen, VastNed zegt dit per zaak te bekijken en Greenfield Capital – verwikkeld in een nog lopende procedure tegen de eigen directeur Mouthaan – laat weten „Johan te hebben gefeliciteerd met zijn move”.

De suggestie dat hij al langer aan het rondkijken was, omdat A&O hem weinig meer te bieden had, is volgens Kleyn onzin. „Ik vind het spannend om iets nieuws op te bouwen en zie het als een extra fase in mijn loopbaan. Maar ik had ook nog jaren door kunnen gaan bij A&O. Ik was er buitengewoon tevreden.”

Wel was Kleyn er de laatste drie jaar al geen partner meer. Op zijn zestigste verjaardag moest hij plaatsmaken voor een nieuwe lichting en werd hij counsel. Bij Jones Day krijgt hij weer de partnerstatus. „Ik word medeverantwoordelijk voor de praktijk in Amsterdam en ben aangetrokken om een bijdrage te leveren aan de uitbouw van het kantoor. Daar past de status van partner beter bij.”

In het kantoor aan het Museumplein, naast de Amerikaanse ambassade, werken inmiddels vijftien advocaten. Er zijn ambities, passend bij een kantoor dat wereldwijd 2.400 advocaten in dienst heeft, verspreid over 40 kantoren. „We willen binnen drie jaar op zo’n vijftig man zitten”, zegt de Belgische partner Luc Houben. Hij werkt sinds 1989 bij Jones Day en zal het Jones Day-model in de Nederlandse vestiging bewaken.

De nadruk komt te liggen op fusies en overnames, de procespraktijk en de financieringspraktijk. Voor de laatste is het kantoor nog op zoek naar geschikte kandidaten. Hoewel Jones Day wel getypeerd wordt als een ‘overnamemachine’, benadrukt Houben dat de procesrechtelijke kant minstens zo belangrijk is.

In Amerika staat het kantoor bekend als een van de ‘Fearsome Foursome’: de vier kantoren die het meest worden gevreesd in de rechtszaal. Met de komst van Kleyn en Te Winkel hoopt Jones Day ook in Nederland die naam waar te maken. „Maar gezonde concurrentie is natuurlijk altijd welkom”, aldus Houben.

Uniek aan Jones Day is naar eigen zeggen de absolute aandacht voor cliënten. „Een cliënt moet in een paar zinnen op zijn BlackBerry kunnen lezen wat hij moet doen; die wil geen advies van een paar A4’tjes”, zegt partner Ferdinand Mason. Hij stapte over van Boekel de Nerée naar Jones Day om het kantoor in Amsterdam van de grond te krijgen. „In Amerika is dit heel gewoon, maar Nederland moet hier nog aan wennen.”

Wat helpt, is dat er intern niet over geld wordt gepraat. De winst en de salarissen zijn geheim, ook binnen het kantoor. Daardoor kunnen zaken integraal worden overgedragen, zonder dat partners alles voor zichzelf willen houden. „Het belang van de cliënt staat voorop, niet de interne politiek. Zodra je binnenkomt, geldt, met een verwijzing naar het ‘duivelse’ groene dollarbiljet: ‘The green devil has been switched off’.”

Opvallend is ook de rechtsvorm van Jones Day: een ouderwetse maatschap, waarin iedereen aansprakelijk is als er iets misgaat. Geen NV of LLP (limited liability partnership), zoals de meeste grote kantoren. „Daarom hebben we ook een goed risicomanagementsysteem, omdat het ons persoonlijk raakt”, zegt Mason. „Cliënten vinden dat plezierig, we dekken ons niet in.”

Jones Day koos niet voor een fusie met een bestaand Nederlands kantoor. „Het is moeilijk om een goed klein kantoor te vinden. Veel goede kantoren zijn al gauw te groot”, licht Mason toe, „en het is een lang integratietraject, met veel gedoe.”

Toen de Nederlandse markt ruim tien jaar geleden werd bestormd door met name de Engelse kantoren, gingen daar inderdaad vaak ruzie en afsplitsing aan vooraf – of strandde de fusiepoging voortijdig. De Brauw Blackstone Westbroek flirtte jarenlang met Linklaters, Stibbe met Herbert Smith en Houthoff Buruma met Norton Rose, om uiteindelijk alleen verder te gaan.

Het had wel tot gevolg dat de conservatieve Nederlandse kantoren hun positie gingen heroverwegen. Een aantal Engelse kantoren, waaronder Allen & Overy en Freshfields, is inmiddels zelfs niet meer weg te denken uit de Nederlandse top. Iets wat Jones Day ook hoopt te bereiken. „Het internationale bereik is steeds belangrijker”, zegt Mason.

„Nederlandse kantoren zijn goed voor het lokale werk, maar het is niet makkelijk wereldwijd werkzaam te zijn als je uitsluitend over Nederlands recht kunt adviseren”, aldus Mason. Door de internationalisering kan volgens hem tachtig procent van het werk bovendien ook zonder lokale advocaten worden gedaan. „Dat is iets waar Nederlandse kantoren bij stil moeten staan. Het werk droogt op.”