Drie fasen van emoji-gebruik

Er was een tijd dat ik het gebruik van smileys in mails en sms’jes ongeveer hetzelfde vond als je belastingformulieren besprenkelen met glitters, of op je sollicitatiebrief alle i’s tooien met een hartje. Inmiddels ben ik voornamelijk bezig met de prangende vraag: hoe krijg je op een begrijpelijke manier een lachende smiley in een zin tussen haakjes? (Het resultaat is namelijk al snel een soort smiley met een onderkin :))

Emoticons zijn onmisbaar geworden. Hoe waren we ooit in staat om vriendschappen te onderhouden zonder de relativerende, plagerige kracht van een knipogend leesteken? Moesten we er gewoon maar op vertrouwen dat een sms’je als ‘want we wisten natuurlijk al dat jij te laat ging komen’ niet gestuurd werd vanuit een diepe, passief-agressieve furie? Hoe konden we ooit zeggen wat we voelden toen :$ nog niet bestond, ook al weten we nu nog steeds niet wat we er in godsnaam mee bedoelen?

Maar ook emoticons evolueren, en er heeft zich een nieuwe wereld aangediend: die van de emoji, Japanse plaatjes die je aan sms’jes kan toevoegen. Na een korte, onstuimige liefde denk ik dat ik inmiddels de drie fasen van het emoji-gebruik kan ontleden:

1. De emoji bieden toegang tot een bibliotheek van plaatjes, variërend van bloemen tot tractors tot muzieknoten. In het begin ontdek je dat je er werkelijk iets mee kan zeggen, bijvoorbeeld: een klok die op zeven uur staat - een kippenbout- een vraagteken. Of: een vertrekkend vliegtuig - een droef gezichtje. Een soort rebus voor debielen, inderdaad – maar toch wordt het een uitdaging je bericht op die manier te verpakken.

2. Dan ontdek je dat er nog zoveel meer is – voornamelijk de mogelijkheid om compleet onbegrijpelijk uit de hoek te komen. Bij sommige plaatjes vraag je je namelijk af welke sms-context de makers precies voor ogen hadden (de drol met het lachende gezichtje bijvoorbeeld – voor iemand die wil laten weten dat de Activia is aangeslagen?) Al snel verlies je jezelf in de meest willekeurige, absurde plaatjes en strooi je met de floppy, de paarse computeralien, de twee meisjes in turnpakjes met kattenoren en een eenzame courgette.

3. Het lukraak versturen van tientallen paperclips, Afrikaanse maskers en deuren maakt je even gelukkig – tot je inziet dat je wel de hele tijd willekeurige dingen kunt verzenden; uiteindelijk is er niemand die er echt op zit te wachten. Dan bereik je de eindfase: rust. Je kiest een paar signature emoji’s (zo houdt een vriend veel van het spook dat zijn tong uitsteekt en ontvang ik van een ander vaak een kat met hartjes als ogen) en gebruikt alleen nog een gamba wanneer je daadwerkelijk van plan bent iets met gamba’s te gaan doen. De sms-wereld wordt weer overzichtelijker – wat toch ooit het idee van die dingen was. Dat, en laten zien dat je last hebt van je onderkin, natuurlijk.