De VS luisteren Nederland al sinds de oorlog af

EU-landen weten best dat Amerika hen afluistert, zegt NSA-kenner James Bamford. „Het pijnlijke is alleen dat het nu op straat ligt.”

Diplomatieke onderhandelingen zijn in essentie „een spelletje poker”, zegt James Bamford aan de telefoon vanuit Washington. „Vandaar dat alle rijke landen elkaar afluisteren, al vele decennia. Met de VS als initiator.”

Bamford is dé Amerikaanse autoriteit inzake de National Security Agency (NSA). Hij was in zijn jonge jaren inlichtingenofficier bij de marine en schreef in 1982, een jaar voordat Edward Snowden werd geboren, een baanbrekend boek over de NSA, The Puzzle Palace. Tot dat moment was het bestaan van de NSA – ‘No Such Agency’ – nagenoeg onbekend. Bamford zette de NSA in de VS in één klap op de kaart als grootste en geheimzinnigste inlichtingendienst.

Hij zou er uiteindelijk, met Body of Secrets (2001) en The Shadow Factory (2008), een vermaarde trilogie over schrijven. The New Yorker betitelde hem vorige maand als Amerika’s „belangrijkste croniqueur” van de NSA. Zo beschreef hij in zijn laatste boek uit 2008 al in grote lijnen de technische mogelijkheden die de NSA in het programma PRISM gebruikt, overigens zonder dat hij de naam en exacte toepassingen kende. „En belangrijker”, zegt hij, „ik had ook de documenten niet waarmee Snowden het onweerlegbare bewijs voor het programma heeft geleverd”.

Van belang is, benadrukt Bamford, onderscheid te maken tussen PRISM – de opwinding daarover noemt hij „zeer terecht” – en de onthulling, dit weekeinde, over de Amerikaanse praktijk om de EU en zijn lidstaten af te luisteren. „Dat”, zegt hij, „doen de VS al bijna honderd jaar.”

In zijn minutieuze research naar de NSA en diens voorlopers vond hij zelfs een volledig gedocumenteerd geval uit 1920 terug. „Dit betrof onderhandelingen in Parijs over wapenbeheersing: toen al hielden de VS alle delegaties van andere landen volledig in de gaten. Inclusief afluisteren.”

Ook het feit dat na de oorlog het hoofdkwartier van de Verenigde Naties werd gevestigd in New York, was volgens Bamford het directe gevolg van de Amerikaanse wens om de andere VN-landen af te luisteren. „Dat doen we dus ook”, aldus Bamford. Hij verwijst naar de grap die medewerkers op het NSA-hoofdkantoor in Fort Meade, Maryland, al decennia onder elkaar maken: In God we trust, all others we monitor.

Bondgenoten bespioneren vindt Bamford niet zo onlogisch. Je wilt weten wat zij weten, dat pokert makkelijker als het op onderhandelen aankomt. „En de andere landen doen het ook, dus de VS moeten wel. Iedereen moet wel.”

Interessanter, zegt hij, is dat afluisteren vaak een verhulde manier is, bijvoorbeeld voor EU-landen, om informatie met de VS uit te wisselen. Zo zijn er bekende gevallen van EU-landen die nog diplomatieke relaties met Iran of Noord-Korea onderhielden toen de VS die al hadden verbroken. Zij zouden hun vertrouwensrelatie met Noord-Korea of Iran op het spel zetten als ze hun kennis direct doorspeelden aan de VS. „Dus dan vertelt zo’n diplomaat alles gewoon door de telefoon: dan weten de VS het ook.”

Sinds de aanslagen van 2001 is de wereld geobsedeerd door terrorismebestrijding, maar van oorsprong stopte de NSA de meeste energie in onderhandelingen over handelsakkoorden en tariefmuren. „Het is lange tijd vooral een zaak van economische belangen geweest”, zegt Bamford.

Daar komt bij dat de NSA over „een enorm budget” en tienduizenden medewerkers beschikt. „Als je bij de NSA op de werkvloer vraagt: kun je even kijken hoe het zit met de Zwitserse banken, dan zijn daar altijd personeel en geld voor.”

Bamford beschreef eerder dat Amerikaanse inlichtingendiensten in de hoofdstad Washington gebruikmaken van eenheden die zogenoemde black bag jobs uitvoeren: inbreken in ambassades om wachtwoorden en andere computercodes te stelen. Dus dat dit ook bij de EU-ambassade in Washington is gebeurd, verbaast hem allerminst. „Het pijnlijke is alleen dat het nu op straat ligt.”

En Nederland wordt al sinds de Tweede Wereldoorlog door de VS afgeluisterd, vertelde Matthew M. Aid al in 2009 aan deze krant. Hij is een oud-NSA-spion die eveneens een veelgeprezen boek over de NSA schreef, The Secret Sentry (2009).

In zijn manuscript besteedde hij een apart hoofdstuk aan de afluisterpraktijken die de VS sinds 1944 op de Nederlandse regering richtten. Zijn uitgever vond het bespioneren van Nederland niet spectaculair genoeg en schrapte het hele hoofdstuk; Aid gaf het daarna ter inzage aan NRC Handelsblad.

Aid vertelde dat er na de oorlog voor de VS telkens nieuwe redenen zijn geweest het afluisteren van Nederlandse regeringsvertegenwoordigers voort te zetten. Het feit dat Nederland na 1949 de diplomatieke relaties met China intact liet (de VS niet), de onafhankelijkheid van Indonesië, de Nieuw-Guinea-kwestie in de jaren zestig, het kruisrakettendebat in de jaren tachtig.

Alleen voor de laatste tien jaar, sinds de eeuwwisseling, ontbrak het hem aan hard bewijs dat de Amerikanen Nederland waren blijven afluisteren. Maar mede door zijn eigen ervaringen bij de NSA (hij werkte onder meer in Moskou) zei hij er „absoluut zeker” van te zijn dat de VS gewoon waren doorgegaan. „Ik ga naakt op straat staan als het anders is”, aldus Aid destijds. „Het zou pas schokkend zijn als ze het niet deden.”

Of Nederland sinds 9/11 ook heeft samengespannen met de NSA, waarbij het de Amerikanen ter wille zou zijn geweest bij dataverzameling zoals PRISM, in ruil voor eventuele inzage in NSA-data, is volgens Bamford onduidelijk. Een bericht van die strekking werd afgelopen weekeinde gebracht door de Britse krant The Observer – en weer ingetrokken.

Feit is dat Nederland nooit hoog op de prioriteitenlijst van de NSA heeft gestaan. Het land valt al jarenlang onder de afdeling ‘Allo’ van de NSA: ‘All other countries.’