Bindend studieadvies maakt dom

Met het bindend studieadvies ontneemt het ministerie van Onderwijs een tweede kans en de mogelijkheid om er door stapelen te komen. Fetisjisme met topkwaliteit, aldus Paul Steenhuis.

Wie geen toptalent is kan doodvallen. Dat is de filosofie die zich als een olievlek uitbreidt over Nederlandse hogescholen en universiteiten, en die schadelijk is voor Nederland. Het algemene opleidingsniveau in Nederland zal dalen als gevolg van de huidige eenzijdige, overspannen focus op excellentie in het onderwijs.

Sinds een aantal jaren geven hogescholen en universiteiten aan studenten die in het eerste jaar onvoldoende studiepunten halen een ‘bindend studie advies’ (bsa) of bindend afwijzend studieadvies (bas). Dat betekent dat ze van de opleiding verwijderd worden en hun hele leven die opleiding niet meer mogen volgen. Je hebt je kans gehad, punten niet gehaald – oprotten. Voorgoed. Nu heeft minister Jet Bussemaker (Onderwijs, PvdA) onlangs (vrijdag 21 juni) bekend gemaakt om ook voor vier opleidingen in het tweede jaar een bindend studieadvies in te voeren: wie in jaar twee zijn studiepunten niet haalt aan de Universiteit Leiden, de TU Delft, de Rietveldacademie in Amsterdam en Amsterdam University College (een samenwerkingsverband van de UvA en VU), mag ook voor altijd ophoepelen. Een tweede kans zit er niet in. Het eerste jaar niet, en het tweede jaar ook niet. De Universiteit Leiden was er als de kippen bij om te melden, maandag 24 juni in deze krant, dat wat hun betreft ook voor het derde jaar zo’n verplichte opkrasregeling ingevoerd mag worden. En dat allemaal, zoals Bussemaker zei, in april in de Tweede Kamer bij een debat over dit bindend studie advies, om ‘een ambitieus studieklimaat’ te bevorderen.

Leren met vallen en opstaan, een tweede kans krijgen, studies stapelen, doorzetten belonen: allemaal besmette begrippen in het huidige maatschappelijke klimaat waarin topkwaliteitsfetisjme hoogtij viert. In feite triomfeert in Nederland op onderwijsgebied de VOC-mentaliteit, namelijk die van de slavendrijver. Aan een gewone, gemiddelde student – de meesten – hebben onderwijsinstellingen en de politiek zo langzamerhand een broertje dood. Dat zijn eigenlijk allemaal uitvreters, lanterfanters, representanten van de voortdurend gehoonde ‘zesjescultuur’ die uitgeroeid moet worden. Het doel van het Nederlands onderwijs lijkt wel dat jongeren zo snel mogelijk tot topprestaties moeten komen, van basisschool tot hogere opleiding. Als tiener moet je een studieprofiel kiezen, om dan zo snel en efficiënt mogelijk door het vervolgopleidingstraject gejaagd te worden. Van havo doorgaan naar het vwo? Wordt ontmoedigd. Studie switchen als je ontdekt dat je talenten toch elders liggen? Vergeet het maar.

Praktijkvoorbeeld: je begint na de havo aan een hogeschoolopleiding, denkt dan in het eerste jaar dat het misschien toch te hoog gegrepen is. Je switcht naar een andere opleiding, voltooit die en hebt dan de ambitie, ouder en wijzer, toch die oorspronkelijke opleiding te volgen. Bij inschrijving blijk je dan zonder het te weten een bindend afwijzend studie advies te hebben, en mag je die opleiding niet meer volgen. Dit is geen uitzondering. De Onderwijsinspectie meldde in 2010 al dat onderwijsinstellingen a. niet altijd de student waarschuwen dat hem of haar een bindend negatief advies boven het hoofd hangt, terwijl dat verplicht is, b. meestal niet de verplichte exitgesprekken voeren als een student weggestuurd wordt en c. ‘de wettelijke termijn voor beroepszaken’ niet altijd naleven. Onderwijsinstellingen mogen falen, studenten niet.

De Onderwijsinspectie stelde enigszins eufemistisch dat mogelijk studenten ‘niet behouden’ blijven voor het hoger onderwijs door de bindend studie advies regeling. Ja, wat wil je met zo’n houding.

Vooral jongens zijn het slachtoffer van de excellentiehysterie in het onderwijs. Zij doen gemiddeld een maand of tien langer over hun studie dan meisjes. Die achterstand van jongens begint al op de middelbare school, op de havo of het vwo, stelden onderzoekers van het researchcentrum voor arbeidsmarkt en onderwijs van de universiteit Maastricht in 2011 vast in het rapport Waarom meisjes het beter doen. De braaf-doorstuderen-vaardigheden die meisjes wel bezitten, hebben jongens minder of doen ze pas gaandeweg op. De obstakels om een geschikte opleiding te vinden en te voltooien worden, als je ook het duurdere leenstelsel voor studiefinanciering meetelt, alleen maar groter.

Ooit was de PvdA de partij die zijn best deed de ook de minder kansrijken een kans op ‘verheffing’ te bieden. Het zogenoemde ‘onderwijzerssocialisme’ was een begrip: er werd gestimuleerd dat je door (avond) studies te stapelen vooruit kwam in de maatschappij en je je ontplooide. Das war einmal. Dat het uitgerekend een PvdA-minister is die dit heilloze no-more-tweede-kans-onderwijsbeleid van harte steunt en uitdraagt, is schokkend.

Paul Steenhuis is redacteur van NRC Handelsblad