Slavernij de regels tussen

Medewerker muziek

Moderne muziek is moeilijk voorstelbaar zonder de muzikale erfenis van de slavernij, zoals jazz, blues, r&b, hiphop, samba, gospel, reggae, salsa. Naar de oorsprong van die Afro-Amerikaanse muziek is in de Verenigde Staten veel onderzoek gedaan. Zo is onderzocht of traditionele songs van slaven, die nog steeds als traditionals gezongen worden, gecodeerde boodschappen bevatten, bijvoorbeeld over vluchtroutes. Zoals de ‘Underground Railroad’, een netwerk van smokkelroutes van het zuiden naar het slaafvrije noorden.

Die theorie is nooit bewezen, maar dat slaven boodschappen overbrachten via liedjes, staat vast. Slaven afkomstig uit alle delen van Afrika werden in Amerika bij elkaar gezet en beschouwd als een homogene groep. In die nieuwe cultuur was muziek een belangrijk communicatiemiddel.

Om meer te ontdekken over gecodeerde boodschappen in de muzikale erfenis van de Nederlandse slavernij, heeft Markus Balkenhol, cultureel antropoloog aan de Vrije Universiteit en het Meertens Instituut in Amsterdam onderzoek gedaan naar de muziek van de Surinaamse gemeenschap in Amsterdam Zuidoost. Balkenhol verbleef daarvoor enkele maanden bij twee Surinaamse gezinnen. Hij onderzocht de rol van de muziekstijl kaskawina, een mix van de moderne kaseko en de traditionele, meer Afrikaanse, kawina. Het was lastig onderzoek, juist door de aard van boodschappen die in kaskawina zitten, merkte Balkenhol. Die draait namelijk om geheimhouding, een code die in de Surinaamse gemeenschap nog steeds geldt.

„Muziek was een manier om in code te communiceren tijdens de slavernij. Slavenhouders wilden het verbieden, maar ze wisten dat het belangrijk was dat slaven zich konden ontspannen, dus in sommige situaties was het toegestaan als amusement.” Wat de planter meestal niet doorhad, was dat het veel meer was dan vermaak. Hij kende de codes niet. Dus hoorde hij niet dat met elk ritme een andere winti, geest, werd aangeroepen.

De planter sprak ook geen Sranan, dus hij hoorde niet dat blanken werden bespot in de teksten. Noch dat er belangrijke leefregels, zogenaamde ‘odo’ werden overgebracht. Een veel terugkerende odo in kaskawina luidt vrij vertaald: „Wanneer er een vriend in nood bij je komt, geef hem eten, zorg voor hem. Maar laat hem niet het achterste van je tong zien.” Balkenhol: „In een slavensamenleving kun je niet iedereen vertrouwen. Zeker blanken niet.”

Wanneer Balkenhol aan zijn tijdelijke gezinsgenoten vroeg naar de betekenis van kaskawina-liedjes, stuitte hij soms na enig doorvragen op een barrière. „Je komt op een punt dat je niet alles kunt vragen. Ik ben een witte onderzoeker, uit een academisch milieu. Die is niet zonder meer veilig om mee te praten.” Hij kreeg eten, hij werd verzorgd, maar ze lieten niet het achterste van hun tong zien.

Zijn respondenten waren terughoudend met het delen van culturele kennis. „Ze zouden niet alleen een sociale code breken, maar ook een religieuze. De kennis over de winti is sacraal en mag niet zomaar op straat komen te liggen.” Dit is de paradox in zijn onderzoek naar cultureel erfgoed. Balkenhol sprak Surinamers die gefrustreerd waren over de beperkte erkenning van de slavernij in Nederland. „Maar tegelijkertijd is er die geheimhouding. Er kan pas sprake zijn van cultureel erfgoed als je het deelt.”

De kaskawina-nummers die tegenwoordig veel worden gespeeld in Suriname, ook door jongere bands, zijn herinterpretaties van oude liedjes, met vaak nog dezelfde boodschap. Zoals in het liefdesliedje ‘Basia Fong’. De titel betekent ‘Opzichter, geef haar met de zweep’ en gaat over een ontrouwe vrouw. Het verwijst, ontdekte Balkenhol, niet alleen naar de slavernij, maar ook naar de vrees voor bedrog dat centraal staat in odo’s. Niet de kaskawina zelf is geheim, je hoort het veel op de Surinaamse radio, maar de betekenis ervan wel, daar praat je niet over.